5303 Italië (901 - 1002)
  Italië (855 - 901)

Lodewijk III Bosonides (de Blinde): koning van Provence (Zuid-Bourgondië) (887 -928); keizer van het Heilige Roomse Rijk (901- 902); koning van Italië (900 - 902)

Een jaar na de dood van Arnulf van Karinthië in 899 marcheerde Lodewijk III Bosonides, bijgenaamd Lodewijk de Blinde, sinds 887 koning van Provence (zuid-Bourgondië) over de Alpen. Hij was de zoon van Bosso van Provence en Ermengard, een dochter van keizer Lodewijk ll.  Hij versloeg Berengarius van Friuli en liet zich kronen tot koning van Italië en in 901 werd hij door paus Benedictus lV gekroond tot keizer van het Heilige Roomse Rijk.

Berengar (Berengarius) van Friuli (905 - 924)

In 902 werd Lodewijk echter door Berengarius verslagen en trok Lodewijk zich terug in Provence. In 905 waagde hij een nieuwe poging om Italië te veroveren maar werd nogmaals door Berengarius verslagen. Berengarius stak zijn ogen uit, wat hem de bijnaam "Lodewijk de Blinde" (Louis l'Aveugle) opleverde, en dwong hem om de tronen van Italië en het Heilige Roomse Rijk af te staan. Lodewijk bleef nog 20 jaar koning van Provence, met zijn zwager Hugo van Arles als regent. Na zijn dood in 928 volgde Hugo hem op als koning, tot 933, toen het koninkrijk opging in een herenigd Bourgondië.

In januari 915 kroonde paus Johannes X Berengarius na jarenlang gekonkel eindelijk tot keizer in de hoop dat hij dan het hoofd zou bieden aan de Arabische dreiging in het zuiden van Italië. Berengarius keerde echter al spoedig terug naar het noorden, waar Friuli nog steeds bedreigd werd door de Magyaren. Bovendien kwam zijn eigen schoonzoon, de markgraaf van Ivrea, daartoe opgestookt door Rodulfus (Rodolfo) ll van Bourgondië tegen hem in opstand. Na een nederlaag in 923 bij Piacenza trok Berengarius zich terug in Verona en moest toezien hoe de Magyaren het land brandschatten. In 924 werd zelfs Pavia geplunderd. Berengarius werd door toedoen van Rudolf II in datzelfde jaar vermoord.

Rodulfus (Rodolfo) ll van Bourgondië (924 - 926)

Hugo (Ugo) van Arles (926 - 945)

Hugo van Arles (882-10 april 948), bijg. de Boze, was een zoon van Theobald van Arles en van Bertha van Lotharingen, dochter van Lotharius II van Lotharingen. Hugo werd door Lodewijk III achtereenvolgens aangesteld tot graaf van Arles, graaf van Vienne en markgraaf van Provence. 

Hugo trouwde zeven keer. Zijn zevende huwelijk was met Bertha von Schwaben, de weduwe van Rudolf I van Bourgondië

Lotharius ll (Lotario) van Italië (945 - 950)

Lotharius ll van Italië was de zoon van Hugo van Arles, de koning van Lombardije en diens tweede echtgenote Wandellmoda. Hij volgde zijn vader in 945 op als koning van Italië, maar er is weinig bekend over zijn regeerperiode. 

Lotharius huwde in 947 met Adelheid (931-999), dochter van Rudolf I van Bourgondië en Bertha von Schwaben en werd de vader van Emma, die huwde met Lothar lll van Frankrijk. Lotharius ll werd in 950 vergiftigd, vermoedelijk door Berengar (Berengario) ll, die zich nu koning van Italië noemde.

Berengar (Berengario) ll (950 -962)

Berengar ll, die zich nu koning van Italië noemde dwong Adelheid in het huwelijk te treden met zijn zoon Adalbert. Toen Adelheid dit weigerde, liet Berengar haar opsluiten en mishandelen. Een priester hielp haar echter te vuchten via een onderaardse gang, waarna zij zich met haar dochtertje Emma enige tijd verborgen hield in een woud, waar zij zich met het vangen van vis in het meer in leven hield. Uiteindelijk werd Adelheid door Alberto Uzzo naar diens kasteel in Canossa gebracht. Na de huwelijksvoltrekking volgde Adelheid haar nieuwe echtgenoot naar Duitsland.

Otto (Ottone) (962 - 973)

Tijdens de politieke wanorde riep Adelheid de Duitse koning Otto l te hulp. Deze haastte zich daarop naar Italië (951), trouwde met Adelheid en liet zich in 962 in Pavia tot koning van Italië kronen.

Sinds het ontstaan van de Kerkelijke Staat kon de paus in noodgevallen een beroep doen op de keizer of koning aan de andere kant van de Alpen. Ook in de eerste helft van de 10e eeuw probeerden sommige serieuze pausen met hulp van de Duitse keizer de Italiaanse edelen onder de duim te krijgen, maar zonder veel succes. Toen de Duitse koning koning Otto I (zoon en opvolger van Hendrik I) echter het verzoek om hulp kreeg van een prinses die bovendien weduwe was, greep hij zijn kans. De prinses heette Adelheid en zij was zowel weduwe, als dochter, als schoondochter van iemand die zich wel eens koning van Italië had mogen noemen. Zij meende derhalve recht te hebben op de erfenis. Maar ene Berengarius van Ivrea was koning geworden en hield haar gevangen. Otto liet er geen gras over groeien. Hij trok met een leger naar Italië, onderwierp Berengarius, trouwde met Adelheid en liet zich in Pavia - met de IJzeren kroon - tot koning van Italië kronen. Berengarius mocht als vazal van de Duitse koning over Italië blijven heersen. Toen die zich niet als een trouwe vazal van de koning bleek te gedragen en met zijn zoon Adalbert naar het zuiden optrok, verzocht paus Joannes XII de koning nog eens orde op zaken te komen stellen. Otto trok in 961 wederom over de Alpen en zette Berengarius af. De paus kroonde Otto I en Adelheid in 962 tot keizer en keizerin waarmee de band tussen keizer en paus opnieuw bevestigd werd. Otto kreeg met het zgn. Privilegium Othonis bovendien een beslissende stem in de pauskeuze. De Ottonen beschouwden zichzelf sindsdien als door God aangestelde heersers over de wereld en hun opvolgers op de Duitse troon zouden dat blijven doen tot de ontbinding van het rijk in 1806.

De Saksische koningen slaagden er ook op andere gebieden in de kerk voor hun politieke doeleinden te gebruiken. Omdat zij wilden voorkomen dat hun belangrijkste vazallen hun leen als eigendom zouden gaan beschouwen en dynastieën zouden vestigen, stelden zij bisschoppen aan als leenman. Hoewel het in de middeleeuwen zeker niet was uitgesloten dat bisschoppen nakomelingen hadden, konden deze nooit wettig erfgenaam zijn, omdat bisschoppen nu eenmaal tot het celibaat verplicht zijn. Het leen van een bisschop ging dus, na zijn dood, altijd weer terug naar de koning. Zo hield de koning zijn land goed onder controle en werd voorkomen dat het rijk versnipperde. Dit systeem werd ingevoerd door Otto I en wordt daarom het 'Ottoonse stelsel' genoemd.

Omdat de koningen natuurlijk alleen vazallen wilden die hun welgezind waren, benoemden zij ook zelf de bisschoppen. Vooral deze benoeming van geestelijken door leken (de lekeninvestituur) werd later niet meer geaccepteerd en zou de basis vormen voor het grootste conflict tussen kerk en keizer: de investituurstrijd.

Otto ll (973 - 983)

Otto I ('de Grote', koning: 936-973) werd opgevolgd door Otto II (keizer: 973-983). Deze trouwde met Theophanu, een nicht van de Byzantijnse keizer, en sloeg zo een brug tussen oost en west. Als gevolg van deze huwelijksovereenkomst werden de vorstendommen Capua en Benevento toegewezen aan de keizer van het westen. Otto II probeerde het Duitse gezag ook in de rest van Italië te versterken maar slaagde daar niet in. Hij bond de strijd aan met de Arabieren in Zuid-Italië maar werd door hen verslagen in 982, bij Crotone (Calabrië). Otto II stierf in 983 in Rome aan malaria.

Otto lll (983 - 1002); Gekroond in 996

Zijn driejarige zoon Otto lll werd tot koning gekozen en omdat men wel begreep dat een driejarige geen koninkrijk kan leiden, werden de taken van het staatshoofd vervuld door zijn moeder Theophanu en zijn oma Adelheid totdat hij - op zijn veertiende verjaardag - meerderjarig werd. Toen verliet hij Duitsland en trok met zijn hofhouding naar Rome omdat hij van daaruit zijn rijk wilde besturen met als ideaal de vernieuwing van het Romeinse rijk. Daar kwam weinig van terecht. Hij werd door de Romeinse bevolking de stad uitgejaagd en stierf in 1002, zonder nakomelingen, op de burcht Paterno bij Rieti (ca. 40 km ten noorden van Rome) aan malaria.

Een liga van Byzantijnse, pauselijke en Longobardische troepen behaalde in 915, onder leiding van paus Johannes X, een belangrijke overwinning op de Saracenen bij de rivier de Garigliano (nu de grens tussen Lazio en Campanië); maar daarmee waren de Saracenen nog niet verslagen. Langs de kust was niets voor hen veilig. De Byzantijnen zetten een uitgebreide kustverdediging op met uitkijk- en gevechtstorens en patrouilleerden langs de kust. In 931 verhinderden de Byzantijnen een aanval op Ligurië, maar drie jaar later stroopten de Saracenen met dertig schepen alsnog de Ligurische kust af en keerden terug met een rijke buit. In 935 werd Genua geplunderd. Talloze verdedigers van de stad sneuvelden, kerken en huizen werden leeggeroofd en verwoest en zo'n duizend vrouwen werden meegenomen naar Afrika.

Toen de Saracenen uit Fraxine in 972 ook nog eens abt Majolus van het klooster van Cluny gevangen namen - een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de christelijke wereld, hij was op weg van Italië naar zijn klooster in Frankrijk - was de verontwaardiging in de christelijke wereld zo groot dat de feodale heren in Noord-Italië en de Provence eindelijk besloten hun krachten te bundelen om de Saracenen weg te werken.


Tussen 984 en 985 werd een aantal alpenpassen heroverd en werd het fort Fraxine verwoest. De strijd tegen de Saracenen begon toen een religieus tintje te krijgen. Eén van de aanvoerders van het Christelijke leger, graaf Rubald van de Provence, zou bij de aanval geroepen hebben: "Broeders, vecht voor jullie zielen! Jullie zijn op heidense grond.
Pisa en Genua versterkten hun vloot en begonnen aanvallen uit te voeren, daarin gesteund door de paus en het leger van de kerkelijke staat. De bevrijding van Sardinië in 1016 was hun eerste succes. Maar de grootste triomf van de Italiaanse zeesteden was de verovering van de belangrijke havenstad Medhia (bij het huidige Tunis) in 1087-1088. De overwinning was het resultaat van de samenwerking tussen Genua, Pisa, Amalfi en een aantal andere Zuid-Italiaanse steden. Paus Victor III had deze coalitie tot stand gebracht door de onderlinge geschillen ondergeschikt te maken aan een gezamenlijke, religieuze opdracht. Met de kruistochten zou dat later net zo gebeuren en daarom kan deze onderneming achteraf worden beschouwd als een soort generale repetitie voor de kruistochten.
Medhia werd geplunderd en de sultan moest alle christelijke gevangenen vrijlaten en voortaan de Genuese en Pisaanse koopvaardijschepen toelaten tot de havens van zijn sultanaat.
In Zuid-Italië en Sicilië werden de Saracenen in de loop van de 11e eeuw onderworpen door de Noormannen.

Italië (1002 - 1100)

Gemaakt: 20-06-04; laatst gewijzigd: 03-01-08

colofon