2683 |
Saksen en Friezen (400 - 500) |
![]() |
Na 400 n.o.j. is er weer sprake van bewoning in het Fries-Groningse kleigebied. Gebruiksvoorwerpen van deze nieuwe groep kolonisten vertonen, na 450 n.o.j, een sterke overeenkomsten met gebruiksvoorwerpen van de kustgebieden van Noord-Duitsland en Zuid-Denemarken uit die tijd. Deze kustgebieden bij de Elbe en van Sleeswijk-Holstein waren in de vijfde eeuw de woongebieden van de Saksen, Angelen en Juten. Aangenomen wordt dat de nieuwe bewoners van de Fries-Groningse kleigebieden Saksen, Angelen en Juten waren die zich vermengden met een zeer kleine groep achtergebleven Friezen uit de Romeinse periode. Van de "Friezen" uit de vijfde eeuw weten we nagenoeg niets. Alleen enige catastrofen uit deze tijd zijn overgeleverd: invasies van Angelsaksen in de late 5e eeuw en niet nader aangeduide overstromingen die het land in die tijd zouden hebben geteisterd.
De Friezen waren een volk van boeren en zeevaarders. In hun zelfgebouwde zeeschepen zeilden zij over de rivieren en zeeën om handel te drijven (graan, wol, tin, lood, laken, barnsteen, wijn en wapens). |
![]() |
Vanuit het noorden roeiden groepen Saksen en Friezen, bestaande uit vrijbuiters en avonturiers de Flevomeren op en vestigden zich op de hoger gelegen gronden in het Gooi, op de Veluwe of aan de kust langs de Noordzee tot in Vlaanderen toe.
De Friezen breidden hun machtsgebied uit tot het Zwin en naar het rivierengebied. De dialecten die in al deze gebieden nu nog worden gesproken (Noordzee-Germaans) tonen onderling sterke verwantschap. Omstreeks 425 zou de legendarische Friese koning
In een rond 802 n.o.j. opgestelde wetstekst (het Lex Frisionum) wordt een gebied van de Sincfal (Vlaanderen) tot aan de Weser aangewezen als zijnde bewoond door Friezen. Hoe valt het te verklaren dat de Angelsaksische en Jutse kolonisten van de vijfde eeuw zich in een negende eeuws geschrift laten aanduiden als zijnde Friezen? Kerst Huisman geeft daarover de volgende theorie: In het Fries-Groningse kleigebied hadden zich veel mensen gevestigd uit het Elbegebied en Sleeswijk-Holstein. Dat deze Angelen, Saksen en Juten in de latere geschiedbronnen aangeduid wordt als Friezen, komt doordat de Friese elite (die in 300 n.o.j. samen met de Chauken de Frankische stam vormden) weer terug keerden naar de Fries-Groningse kleigebieden. Door de komst van deze Friese elite gingen de Anglosaksische en Juutse kolonisten zich Friezen noemen. Bij Germaanse stammen uit die periode was het de gewoonte dat de naam van de politiek leidende laag gekoppeld was aan die van de stam.
Ten tijde van De verwantschap tussen de Angelsaksen aan de overkant van de Noordzee en de Friezen aan deze kant, bleef ook na de kerstening bestaan. Aan beide zijden van de Friese Zee werd dezelfde taal gesproken en werd ongeveer hetzelfde runenschrift gebruikt. In zekere zin werden de banden zelfs inniger. Daarom waren het ook Angelsaksische missionarissen, die de reisroutes van de kooplieden volgend, hier de kerstening op zich namen. |
![]() |
links: Friese runenschrift | |
![]() |
links: Germaanse runenschrift |
Naast dit taalkundige onderzoek, is er nog genetisch onderzoek gaande m.b.t. de afkomst de latere Friezen uit de 6e eeuw. Hieruit blijkt eveneens een duidelijke verwantschap tussen genetisch materiaal uit de Friese gebieden met materiaal uit gebieden rond de monding van de Elbe en de Weser en Jutland (de Eutische Saksen). Ook materiaal gevonden bij opgravingen duidt op deze verwantschap. De archeologen plaatsen de komst van immigranten uit deze gebieden echter pas tussen het eind van de 4e en het begin van de 5e eeuw. |
|
laatst bijgewerkt: 22-07-02 |