3444

Koning Finn Folcwalding (~ 425)

Omstreeks 425 zou de legendarische Friese koning Finn Folcwalding hebben geleefd. Koning Finn wordt in enkele Angelsaksische geschriften genoemd als koning der Friezen. 

Finn was volgens het oudengelse gedicht Widsith de zoon van Folcwald en heerser over de Friezen. Het is echter mogelijk dat de naam Finn Folcwalda een mythische deknaam is. Het vreemde is namelijk dat Finn als roepnaam in het Westgermaans nergens voorkomt. In Scandinavië daarentegen komt de naam echter wel veelvuldig voor. De Finnar waren bijvoorbeeld het voorgermaanse volk van Scandinavië. De naam Folcwalda in de betekenis van  ‘legeraanvoerder’ komen we ook tegen in Scandinavië als folk-valdi goda (legeraanvoerder der goden), en is dan verbonden aan de god Frey.

Rechts: Hengest, de aanvoerder van de Halfdenen (rechts) en de Friese koning Finn naar een afbeelding op de omslag van het boek Finn and Hengest - The Fragment and the episode van J.R.R. Tolkien, edited by Alan Bliss 

De Widsith (=  'verre reis'),  is een gedicht van 143 regels, geschreven door de rondtrekkende bard (minstreel) Widsith, die zichzelf beschreef als behorend tot de Myrgings, een stam die alleen in dit gedicht vermeld wordt, maar die mogelijk buren waren van de Angelen. Barden bezongen de heldendaden van volkeren en met name koningen en stonden in die tijd in hoog aanzien en werden dan ook vaak rijkelijk beloond voor het ten gehore brengen van hun gezangen. In het gedicht vermeldt Widsith een hele reeks heersers, stammen, volkeren en helden uit zeer uiteenlopende perioden van de Europese geschiedenis, die bekend waren in de Germaanse wereld van de 6e eeuw. Widsith beschrijft in het gedicht ook een aantal rijke giften die hij heeft ontvangen. Het gedicht besluit dan ook met de overpeinzingen van de rondtrekkende minstreel die de lof zingt van diegenen die hem goed belonen.

Een vermelding van koning Finn komen we ook tegen in de Angelsaksische kronieken (stamreeksen van Angelsaksische koningshuizen). Hierin wordt een zekere Godulf genoemd als vader van Finn. Tenslotte wordt Finn vermeld in de Noordse Snorra-Edda. De Zweedse koning Adils (in het Beowulf-epos Eadgils genoemd) zou een pantser bezitten aan koning Finn toebehoorde.

In de Edda (Voluspa) staat een lijst met namen van de dwergenkoningen: Fjalarr, Frosti, Ginnarr en Finn. En in Deense en Noorse volkssagen is Finn een reuzenbouwmeester die een groot aantal kerken bouwde. Een sage uit centraal Zweden vertelt van een bovennatuurlijke bouwmeester, een dwerg of reus Finn geheten, die meehielp in de bouw van een kerk of kasteel. Als vergoeding vroeg hij de hand van de dochter van de opdrachtgever. Op het laatste moment glipte zijn bruid hem toch nog door de vingers. 

Finn was getrouwd met Hildeburh, de zuster van de Deense prins Hnæf. Hildeburh en Hnaef waren kinderen van de Deense koning Hoc Healfdene (wat zou beteken dat Hoc van half Deense afkomst was) en was heerser over de Hocings, dwz. het volk van Hoc.  Mogelijk was Hoc identiek aan Haki, genoemd in de Ynglinga sage, die het koninkrijk Uppsala veroverde, waarover hij tien jaar regeerde totdat hij door koning Jorund werd verbannen. Hoc zou ca. 450 gestorven zijn. Ook in het Beowulf-epos en in een gedeelte van een heldenlied, het Finnsburgfragment, komt de naam Finn terug. Beide dateren uit de volksverhuizingtijd en zijn dus ouder dan de Widsith. Finn wordt in het Beowulf-epos genoemd als een opponent Hengest, de veroveraar van Kent is. Hengest kwam uit Anglen (Denemarken) en was door de Britse koning Vortigern te hulp geroepen om zijn vijanden het hoofd te kunnen bieden. lees verder. Brittannië (410 - 577)

Finnburgsage

In het Beowulf-epos is het belangrijkste deel van het van de Finnburgsage verweven (regel 1063 - 1160). Het verhaal speelt zich af in de jeugd van Hengest en moet dus in de vroege 5e eeuw geplaatst worden; rond 425. Op het moment dat Beowulf in de koningshal nageniet van zijn overwinning op het monster Grendel, begint een scop (bard) een oud heldenlied voor te dragen: de Finnburgsage. Deze sage speelt toen de toen nog jonge uit Anglen (Denemarken) afkomstige Hengest (ook Hengist genoemd), aanvoerder van de Halfdenen met een legertje van zestig man verbleef in de buurt van de Finnburg, de woning van koning Finn Folcwalding. 

Ook onder de gelederen van Hengest waren een groot aantal strijders gevallen. De strijd werd daarom gestaakt en onderhandeld over een bestand. Maar deze overeenkomst hield geen stand: Hengest wilde wraak en opnieuw brak de strijd los. Daarbij werd Finn gedood en zijn weduwe Hildeburg werd teruggebracht naar haar volk. Een complete prozavertaling door Jan Pronk van het fragment uit de Finnburgsage is te lezen op de website Koning Finn Folcalding in de Beowulf.

De Finnburgsage staat volgens een hypothese van Jan Zijlstra in stripvorm afgebeeld op het kistje van Franks (Franks casket), dat waarschijnlijk in de 7e of 8e eeuw gemaakt werd in Northumbria, waar ook de Beowulf zijn oorsprong vond (ongeveer in dezelfde periode).

Rechts: een scop (bard) (British literature timeline)

Links: Het kistje van Franks in het British Museum (Foto Michel wal)
De betreffende afbeelding staat op de rechterzijkant van het kistje, dat zich nu bevindt in het Bargellomuseum in Florence met aan de bovenkant en de twee zijkanten een runentekst. Er worden drie episoden uit het Finnburgepos weergeven. De man zittend op een soort bijenkorf met het hoofd van een paard op de eerste peisode, zou Hengest kunnen zijn. Tegenover hem staat koning Finn. Beiden zijn met elkaar in onderhandeling over een vrede (bestand). De twijgen die Hengest Finn aanbiedt zijn hiervan het symbool. In feite is het echter een list: Hengest wil helemaal geen vrede, maar wraak. De slangen die rond zijn hoofd slingeren symboliseren dit. Het paard op de tweede voorstelling stelt eveneens Hengest voor. De runentekst boven het paard "rici-bita" zou volgens Zijlstra kunnen worden vertaald als "Hij die de Friezen versloeg" (Reuzen is een vroegmiddeleeuwse bijnaam voor Friezen). 
De tweede episode verhaalt de crematie en begrafenis van Hnaef en Garulf, die in de strijd tegen Hengest zijn gesneuveld. In het begin van de Finnburgsage wordt verteld dat Hildeburh, de vrouw van Finn, het lichaam van haar zoon Garulf naast dat van haar broer Hnaef op een brandstapel laat plaatsen. De figuur op de brandstapel zou ook alle drie de gesneuvelden (Hnaef, Garulf en Finn) kunnen symboliseren. Een heidense priester (wat blijkt uit zijn staf) voert het begrafenisritueel uit. 

Links: Het rechter zijpaneel van het kistje van Franks. 

De T-vormige rune boven zijn staf zou het symbool kunnen zijn van de Germaanse god Tiw, Tiwaz of Tyr. In de derde episode wordt Hildeburg door twee mannen in herderskleed teruggebracht naar haar volk. Het afgedwaalde schaap (Hildeburh) wordt teruggebracht naar haar kudde (haar volk). 

Bron: Friesland, Wilfried en het kistje van Franks / Jan Zijlstra, gepubliceerd in. Detector Magazine: nr. 93, juli 2007; nr. 94, september 2007 en nr. 95, november 2007. Digitaal te lezen op http://www.detectoramateur.nl/magazine/archief.html 

Maar was het wel Hengest die slag heeft geleverd tegen Finn? Volgens Wikipdia (Slag bij Finnburg) was het de Deense prins Hneaf die strijd leverde bij de Finnburg. Nadat hij was gesneuveld, sloten beide partijen vrede en mocht Hengist, de nieuwe leider van de Denen, met de overlevende Denen huiswaarts keren.

Over de gebeurtenissen rond de Finnburg is veel gediscussieerd en geschreven. Ook J.R.R. Tolkien geeft in zijn boek Finn and Hengist (1998) een vertaling en analyse van het heldendicht de Finnburgsage.

Volgens de Anglo Saxon Cronicle werden Heneist (Hengist) en zijn broer Horsa (Hengist = hengst; Horsa = paard) later door Vortigern, koning van Powys (ca. 425 - ca. 455) te hulp geroepen tegen de Scoten (Ieren) en de Picten, waarna zij zich met hun volk (Angelen), de Saksen en Jutten naar Brittannië terug om er zich te vestigen. Met hen wordt de Angelsaksische invasie in Engeland geacht te zijn begonnen en hij wordt beschouwd als de stamvader van het vroegmiddeleeuwse koningshuis van Kent,

Deze gebeurtenissen zouden moeten hebben plaatsgevonden in de vroege 5e eeuw, rond 425. Waar de Finnburg stond is moeilijk te achterhalen. Mogelijk lag deze in of nabij Holstein (Wikipedia). Volgens Jan Zijlstra, leefde Finn echter in Westergo (Vistraga (Westreacha) en komen voor hem drie plaatsen in aanmerking als zijn woonplaats: Wijnaldum, Franeker en Sexbierum. (Fiese koningen in de Vroege Middeleeuwen). 

Dat toen de machtsbasis van de Friese koningen in Westergo lag, zou kunnen blijken uit de kostbare gouden mantelspelden (fibula) die in de terp van Wijnaldum zijn gevonden.

De vondst van de grote fibula op de terp Tjitsma van Wijnaldum bij een opgraving in de jaren vijftig, een mantelspeld van buitengewone kwaliteit uit ca. 600 - 650, een topstuk dat parallellen vertoont met voorwerpen uit het praalgraf van de Angelsaksische koning Redwald in Sutton Hoo (East Anglia, Engeland). De vondst was het begin van een archeologisch onderzoek in 1991 - 1993, waaruit bleek dat Wijnaldum al in de 7e eeuw een belangrijke vestiging was. Archeologisch onderzoek toonde aan dat er in Wijnaldum in die tijd een hoofdgebouw stond met ateliers van ambachtslieden: goud- en zilversmeden, bronsgieters, glas- en barnsteenbewerkers, wevers, een wapensmid enz. Tevens werd er onder meer een dirhem (Arabische zilveren munt) aangetroffen die verwerkt was in een ander sieraad die men vond. Mogelijk is die laatste via de handel daar terecht gekomen. De vraag is echter wel: was de terp de woonplaats van Friese koningen of was het de woonplaats van een meester edelsmid?’.

Links: De mantelspeld van Wijnaldum. (Fries Museum, Leeuwarden)

Zie ook:

  • Een terp met gebroken wortels / Wio Joustra
  • Terponderzoek Wijnaldum
  • 120.000 jaar Friezen - Archeologie van Friesland / Jurjen M. Bos
  • Het zwaard, de zee en het valse Hart / Theun de Vries

laatst bijgewerkt: 27-05-10

colofon