10.535 Liefde te koop - Prostitutie in Amsterdam (1809 - heden)
Liefde te koop - Prostitutie in Amsterdam (1500 - 1809); Amsterdam (1800 - 1850); Amsterdam (1850 - 1900); Spinhuis; Uitgaan in de Nes, De Pijp

1809-1813
Tijdens de Franse bezetting van Nederland veranderde het prostitutiebeleid radicaal. In 1809, schafte koning Lodewijk Napoleon alle plaatselijke vorderingen af. Het ruim twee eeuwen oude verbod op hoererij en bordelen verdween en met de invoering van de Code Penal in 1811 werd alleen het tot prostituee aanzetten van minderjarigen strafbaar. Recht en moraal werden gescheiden. De overheid diende zich niet op het terrein van prostitutie te begeven. Er werd wel hevig ingegrepen in de bewegingsvrijheid van prostituees door de invoering van strenge reglementen Alle prostituees moesten zich inschrijven bij de politie en de twee wekelijks worden gecontroleerd op geslachtsziekten De meest voorkomende geslachtsziekte was tien syfilis. Besmette vrouwen moesten zich onder behandeling stellen. Hun zogenaamde roze kaart een soort werkvergunning werd ingetrokken totdat ze genezen verklaard waren. De besmettingscontrole bleef de hele 19e eeuw een punt van discussie. Er werden honderden boeken geschreven, door voorstanders die de volksgezondheid verdedigden en door tegenstanders die de controle beschouwden als een vrijkaartje voor bordeelbezoek. 

Ook na het vertrek van de Fransen in 1813 bleef bordeel houden wettelijk toegestaan, mits aangemeld bij de politie.Het centrale gezag in Den Haag oefende aandrang uit op de steden om prostitutie te reglementeren, met name de steden waar militairen gevestigd waren. Vanaf 1850 zijn er betrouwbare statistieken: maar liefst 12% van de landmacht bleek besmet te zijn met een geslachtsziekte. Den Haag was de eerste grote stad die al in 1825 een reglement invoerde. Het Haagse reglement werd als voorbeeld naar de andere steden opgestuurd.

Gedurende de 19e eeuw bleef Amsterdam de grote uitzondering onder de Hollandse steden. De hoofdstad weigerde een officieel prostitutiereglement in te voeren. De politie was voor, maar het gemeentebestuur tegen. “Indien de vrouwen weten en ondervinden dat zij bij besmetting met de tederste zorgen in een afzonderlijk gesticht worden verpleegd, tot welstand en als ’t ware tot nieuwe geschiktheid gebracht, is het natuurlijk dat zij nog lichtzinniger het kwaad tegemoet treden en de ontucht aanmoedigen en vermeerderen” luidde het afwijzend antwoord aan de koning”.
De gemeentewet van 1851 bepaalde dat het toezicht op onder meer tapperijen en de openlijk huizen van ontucht de verantwoordelijkheid was van de burgemeester. In de praktijk werd het toezicht uitgeoefend door de politie. Dat betekende dat het bestaan van deze openlijke huizen van ontucht formeel erkend werd door de rijksoverheid.
Er waren verschillende mensen die protesteerden tegen de erkenning van de overheid. Dominee Pierson was de belangrijkste voorvechter van de strijd tegen toezicht op de prostitutie. De bestrijders noemen zichzelf “abolitionisten wat “afschaffers” betekend De abolitionisten richtten in 1879 de NPV (Nederlandse Vereniging tegen de Prostitutie) op. Zij vonden dat de overheid alle getolereerde bordelen moest sluiten.

Vanaf 1886 moesten bordeelhoudsters en -houders met nieuwe meisjes langskomen bij een gemeenteambtenaar. Of de vrouw wel wist wat het werk inhield? De afkeer van prostitutie groeide, gevoed door berichten over vrouwenhandel. Een coalitie van protestants-christelijken, feministen en socialisten keerde zich tegen medeplichtigheid van de overheid bij de prostitutie en tegen de dubbele moraal. In 1897 kreeg Amsterdam weer een bordeelverbod, maar erg effectief was het niet.

In 1889 kreeg de politie nieuwe bestrijdingsmiddelen door artikel 162 van de Algemene Politie Verordening: “Het is aan vrouwen verboden op de stoepen of in de deuren van bordelen door een handeling of vertoning de aandacht der voorbijgangers tot zich te trekken”. Ook werd het vrouwen verboden om op de hoeken van straten van de bordelen stil te staan.
Het begin van de Oudezijds Achterburgwal en de Oudezijds Voorburgwal was aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw een sloppenkwartier van gangetjes en stegen dat van oudsher bewoond werd door allerlei lieden van laag allooi en waar ook prostitutie werd bedreven, vooral door de nabijheid van de Amsterdamse haven. Anders dan in de rest van de stad werd hier ook getippeld. Een aantal van die openlijk orerende dames van lichte zeden werd omstreeks 1890 gefotografeerd voor café Stadt Hamburg in de Oude Kennissteeg tussen de Oude Zijds Achterburgwal en de Oude Zijds Voorburgwal. De foto heeft als onderschrift "Reines des trottoirs" (Koninginnen van de stoep) en er werd zelfs een ansichtkaart van gemaakt. In de tweede helft van de 19e eeuw speelde de prostitutie zich in de tweede helft van de 19e eeuw zich niet af in het wallengebied, maar op en rond het veel chiquere Nieuwe Zijds Voorburgwal in de schaduw van het paleis op de Dam. Befaamde bordelen waren destijds Madame Fatma (Nieuwe Zijds Voorburgwal 324), het Groene Paleis (hoek Rokin - wijde Lombardsteeg) en Maison Weinthal aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal 227-229), het beroemdste en meest luxueuze bordeel in die tijd.. De Duitser Benjamin Weinthal opende het bordeel ivermoedelijkin 1848 toen de NZ Voorburgwal nog Pijpenmarkt heette. In 1852 werd zijn echtgenote Jurjentje Rauwerda de hoerenmadam van het bordeel, dat na de dood van Benjamin gewoon Maison Weinthal bleef heten. 

LInks:Dames van lichte zeden, schilderij van Henri de Toulouse-Lautrec (1864-1901)

De zaken gingen goed: tussen 1864 en 1875 werkten er 225 meisjes in het bordeel. Voor vijf gulden kon een klant zich met een meisje terugtrekken in een van de weelderig gemeubileerde werkkamers. De meisjes sliepen op slaapzalen. Ze kwamen vrijwel allemaal uit Frankrijk of België. Ze verlieten zelden het huis, want uitgaan - met een chaperonne - kostte hen vijf gulden.

In Klaasje Zevenster uit de gelijknamige roman van Jacob van Lennep, uit 1865) komt een Coosje W. voor als dochter van een hoerenmadam. Dit is waarschijnlijk Jacoba Rauwerda (Weinthal), die haar moeder kennelijk bijstond in in de exploitatie van het bordeel. 

Jurjentje, overleed in 1877. Er ging een gerucht dat Jurjentjes zoon Willem een kind was van koning Willem III, die ervoor zorgde dat moeder een toelage kreeg en die beiden bedeelde met land, paarden en juwelen. Een ander verhaal wil dat Jacoba de dochter was van een Parijse porseleinfabrikant, monsieur Lejeune. 

In 1897 stelde de Amsterdamse gemeenteraad een commissie in die tot taak kreeg de ‘aard en omvang’ van de prostitutie in de hoofdstad in kaart te brengen. De commissie bracht ook een bezoek aan Maison Weinthal. De voorzitter van de commissie, de arts A.Voûte, gaf in zijn rapport een bijna wervende omschrijving van het etablissement: ‘Het bordeel bevat een wintertuin, een groote salon en verschillende kleinere met een reeks min of meer weelderig gemeubileerde ‘werkkamers’, een badkamer en ‘bazaar’ (slaapzaal). Het huis is den ganschen nacht open en wordt ook zoowel ’s morgens en ’s middags vrij druk bezocht: er komen ook veel vreemdelingen."

Rechts: Twee dames van lichte zeden in een bordeel in de  Rue des Moulins, schilderij van Toulouse Lautrec, 1894 (Musée Toulouse-Lautrec, Albi )

In 1902 werd een politieverordening aangenomen die het houden van huizen van ontucht verbood. Dat betekende het einde van Maison Weinthal. Asmodée wijdde er een gedichtje aan: ‘O Weinthal etablissement/Gij staat thans droef en ledig:/Geen Prins, geen Graaf, zelfs geen Baron/Zal meer in u verblijven’.

1902-1940 De prostitutie gaat ondergronds
Na het eerste Amsterdamse bordeelverbod volgde in 1902 een landelijk bordeelverbod (wet van Regout). De 'zedelijkswetten' van 1911 verboden in heel het land bordeel houden, vrouwenhandel, pooierschap en het tonen van voorbehoedmiddelen en pornografie, maar het haalde allemaal niets uit. Dit soort wetten en verordeningen viel in de praktijk niet te handhaven.
Overal in de stad woonden en werkten publieke vrouwen o.a. achter in sigarenzaakjes. Een goed alibi, want mannen deden nauwelijks boodschappen, behalve hun eigen rokertje. De echte sigarenwinkeliers vreesden zelfs voor hun goede naam. Ook massagesalons waren een goede dekmantel. Er waren er zo'n 80 in Amsterdam. Ingewijden waren op de hoogte van de geheime betekenis van russische ( of strenge ), franse en griekse massage, zoals de diensten aangeboden werden in 'mondaine' bladen. De prostitutie verspreidde zich over de hele Pijp, een bohemienachtige wijk waar veel kunstenaars en artiesten woonden. Ook het aantal "klappers" nam er sterk toe: bordelen waar klanten van al hun bezittingen werden beroofd. In de jaren twintig en dertig werd er hard tegen dit soort praktijken opgetreden. Regelmatig deed de Zedenpolitie, opgericht in 1921, invallen in bordelen. Bewijzen was moeilijk, want de prostituees zelf en hun ( getrouwde ) klanten wilden liever niet getuigen. Burgemeester en Wethouders van Amsterdam vaardigden tussen 1927 en 1937 jaarlijks gemiddeld acht sluitingsbevelen uit. Rond het Oudekerksplein liet de politie een paar raambordelen toe. Tegen straatprostituees werd hard opgetreden. In 1935 telde de politie telde zo'n 4000 prostituees in de stad. In 1941 voerden de Duitse bezetters een streng toezicht op prostituees in en een verplichte keuring op geslachtsziekten. Na de Tweede Wereldoorlog werd de prostitutie weer zo goed als uit de Pijp verdreven, met uitzondering van de Ruysdaelkade.

In de kroegen van de Zeedijk en omgeving vonden al eeuwenlang hoeren hun klanten. Ook op straat werd geworven. Tippelaarsters stonden op de laagste tree van de prostitutieladder. Na het verbod op het houden van bordelen raakten prostitutie en misdaad nauwer verstrengeld. Bijna alle prostituees hadden een souteneur. Zo'n pooier was soms minnaar of echtgenoot, beschermer én uitbuiter van een prostituée. Succesvolle pooiers hadden meerdere vrouwen voor zich werken. Mannen als Rooie Leen waren de ongekroonde Koningen van de rosse buurt. De politie kon een gehaaide souteneur weinig maken. Een prostituée die haar pooier aangeklaagd had, bijvoorbeeld vanwege mishandeling, kwam vaak de volgende dag de aanklacht weer intrekken.

Pas in de jaren zestig, onder invloed van de seksuele revolutie werd de basis gelegd voor de Wallen zoals iedereen die kent. In de gedoogcultuur die toen ontstond werd niet of nauwelijks meer tegen prostitutie opgetreden met als gevolg dat het aantal "ramen" en daarmee het aantal prostituees explosief toenam, met meer uithangborden en rode lichtjes. Zo kreeg de buurt de naam "red light district". Nu wordt met het project 1012 de bijl gezet in deze wildgroei en wil men de prostitutie terugdringen naar de Achterburgwal. De tippelzones in de Utrechtse straat en daarna (1996) de Theemsweg was het werkgebied van de heroïnehoertjes. Na de sluiting van de tippelzone aan de Theesweg verspreidden de tippelaarster zich over de hele stad, gingen werken in een club of verscholen zich als escort achter een 06-nummer. 

Gemaakt: 12-01-06, laatst bijgewerkt: 06-04-10

colofon