10.344

Nederland (1813-1815)

Nederland (1813 - 1830)

Na Napoleon's mislukte Russische veldtocht koesterde Willem Frederik weer hoop de Nederlanden te kunnen bevrijden van de Franse overheersers. n Engeland overlegde hij met de Engelse minister Castlereagh over de terugkeer van de Oranjes in de Nederlanden, de minister reageerde echter terughoudend.

Na de nederlaag van Napoleon Bonaparte I in de Volkerenslag bij Leipzig (16-19 oktober 1813), brak op 1-11-1813 in Amsterdam een oproer uit, waarbij douanehuisjes en de kazerne van de Franse douane in brand werden gestoken. Ook in de rest van het land ontstonden relletjes en de Franse gezaghebbers besloten hun troepen langzaam richting Frankrijk terug te trekken.

Op 20 november 1813 ondernamen Gijsbert Karel van Hogendorp, van der Duyn van Maasdam en van Limburg Stirum een staatsgreep. Zij riepen de Nederlandse onafhankelijkheid uit en namen het voorlopig het Algemeen Bestuur op zich. Op hun uitnodiging zette op 30 november 1813 erfstadhouder prins Willem Frederik van Oranje-Nassau voet op Nederlandse bodem op het strand bij Scheveningen. 

Op 21 december 1813 benoemde hij een commissie om een nieuwe grondwet te ontwerpen, onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp, die tot 1813 teruggetrokken bestaan leefde als ambtloos burger; maar nu na de bevrijding van de Fransen een belangrijke plaats zou gaan innemen in het Nederlandse staatsbestel. Hij kon overigens slecht opschieten met Willem Frederik (latere koning Willem l) en diens bepaald niet geringe zelfingenomenheid was daar zeker niet vreemd aan. 

Zeshonderd notabelen kregen in maart een oproep om hun stem uit te brengen over het ontwerp van de nieuwe grondwet. Van de 474 notabelen die op kwamen dagen stemden er 26 tegen.
Op 1 augustus 1814 aanvaardde Willem Frederik de soevereiniteit over de Zuidelijke Nederlanden. Als compensatie voor de Nassause gebieden kreeg hij het Groothertogdom Luxemburg toegewezen, dat in personele Unie met ons land werd verbonden. 

rechts: Willem Frederik

De nieuwe grondwet van 1814 voorzag in een soeverein, in herstel van de adel, en in de heroprichting der Ridderschappen, die samen met de steden en de "landelijke stand' de Provinciale Staten zouden kiezen en daarmee indirect ook leden van de Tweede Kamer. De koning, die lid moest zijn van de Nederlandse Hervormde Kerk. kreeg veel macht toebedeeld. Hij had de controle over de financiën, buitenlandse zaken, het leger en de vloot en de van Engeland terug gekregen koloniën. Samen met de Staten-Generaal had de koning ook een wetgevende macht. 

De Staten-Generaal bestond vooral uit heren uit de adelstand. De Provinciale Staten werden gekozen door de drie standen: de Ridderschap, de vertegenwoordigers van de steden en de vertegenwoordigers van het platteland. Op 1 januari kwam het eerste nummer van de Staats Courant van de persen. 

Op 25 april werden de eerste Nederlandse geldbiljetten afgedrukt.

Op 30 Augustus werd met Engeland een overeenkomst gesloten over de teruggave van de koloniën, de meeste werden teruggegeven maar Ceylon (Sri Lanka), De Kaap (Afrika), Essequibo, Demerary, en Berbice (British Guyana) bleven Engels. In Nederland heerste ondertussen grote armoede en honger.

Nederland (1813-1815)

Gemaakt: 06-04-04; bijgewerkt: 20-04-04

colofon