7165 |
Vicekoninkrijk Peru - Pizarro |
|
Toen ontdekkingsreiziger Francisco Pizarro na een verblijf van 20 jaar in het Caraďbisch gebied in 1522 hoorde over de successen van Hernán Cortés en verhalen over gebieden langs de oostkust van wat we nu kennen als Zuid-Amerika, stelde hij een gezelschap samen waaronder Diego de Almagro, een gelukszoeker in Panama, om nieuwe gebieden in het zuiden te ontdekken. Met 114 man kwam hij in 1524 niet verder dan Punta Quemada in het huidige Colombia. In 1531 vertrok Pizarro met een nieuwe expeditie uit Panama met drie schepen, 180 man en 27 edelen en arriveerde in 1532 voor de kust van het huidige land Peru. Het Inca-rijk was ten tijde van de Spaanse invasie verzwakt door een machtsstrijd tussen de twee keizerlijke broers Atahualpa en Huáscar om de erfopvolging van het Inca rijk.
Rechts: portret van Francisco Pizarro (1476 - 1541) |
![]() |
Pizarro maakte dankbaar gebruik van de burgeroorlog die was uitgebroken tussen de Atahualpa, de koning van Quito (Ecuador) en zijn oudere halfbroer Huáscar, die na de zoon van hun vader regeerde over het grootste deel van het Incarijk. Het Incarijk werd de tijden ervoor ook al geteisterd door burgeroorlogen, geďnstigeerd door successiekwesties tussen troonpretendenten. Deze burgeroorlog zou de laatste zijn.
In 1532 bracht Atahualpa een leger op de been, veroverde de gebieden van Huáscar, nam zijn halfbroer gevangen en werd de dertiende keizer van de Inca's. De hereniging en rust binnen het rijk zou niet lang duren want twee maanden na de slag arriveerde Francisco Pizarro voor de Peruaanse kust en begon zijn veroveringstocht. Pizarro wist met zijn kleine leger tot in het hart van het Incarijk door te dringen. Bij hun intocht geloofden de Inca's hun ogen en oren niet. Die vreemde paarden, die bebaarde mannen, het kanongebulder, ze wisten niet beter of de Zonnegod maakte eindelijk zijn entree. Dat godsbesef is de gouddorstige Spanjaarden goed van pas gekomen. Op 16 november 1532 ontmoetten Pizarro en Atahualpa elkaar in de stad Cajamarca. Pizarro nam Atahualpa gevangen. Deze probeerde zich vrij te kopen door een ruime schat aan goud, zilver en edelstenen aan te bieden. Ook bekeerde hij zich in het openbaar tot het katholieke geloof om zijn gevangennemers vriendelijker te stemmen. Rechts: strijd van Pizarro's mannen tegen de Inca's (bron: US History Images) |
![]() |
![]() |
Via geheime contacten met de buitenwereld gaf hij echter de opdracht aan hem trouw gebleven soldaten om zijn halfbroer uit de weg te laten ruimen en probeerde hij hen ook te bewegen hem te komen bevrijden. De Spanjaarden gingen op zijn verzoek tot vrijlating niet in en kwamen er achter dat hij in het geheim een moordopdracht had gegeven en tegen hen samenspande. Er werd een formeel proces gehouden en Atahualpa werd ter dood veroordeeld op beschuldiging van de moord op zijn halfbroer en het verzet tegen de Spanjaarden. Ook werd hij ervan beschuldigd het christendom te hebben beledigd door een bijbel op de grond te gooien (maar voor Atahualpa was een boek een betekenisloos object). Links: Atahualpa wordt van zijn troon gesleurd. John Everett Millais |
In het voorjaar van 1533 zou hij op de brandstapel ter dood worden gebracht, maar dit is op het laatste moment omgezet in de dood aan de wurgpaal. Voorwaarde hiervoor was dat hij zich zou bekeren tot het Christendom, hetgeen hij ook deed. Het Incaleger van duizenden soldaten was nu zonder centrale leiding. Geen van de Incageneraals had voldoende overwicht om de verdediging van het totale grondgebied rond zich te organiseren. Het Incaleger werd systematisch en meedogenloos door de met vuurwapens bewapende en zich op paarden verplaatsende Spanjaarden verslagen. Intussen werd Atahualpa gedwongen als 'losgeld' een kamer vol goud en zilver aan Pizarro te leveren. Ondanks deze tegemoetkomingen werd hij toch ter dood veroordeeld, wegens "broedermoord" (hij had namelijk opdracht gegeven zijn halfbroer te doden). Vlak voor zijn executie liet de Incakeizer zich bekeren. Met de dood van de Incakeizer hadden de Spanjaarden een eind gemaakt aan het Incarijk dat rond 1200 ontstond aan het Titicameer en tijdens de voorgaande eeuw het halve continent wist te overheersen. |
Daarna maakten de Spanjaarden korte metten met de "heidense" Inca-bevolking. Hun "bijgeloof" moest voorgoed verdwijnen vonden zij. Zelfs gemummificeerde familieleden kwamen in de vlammen terecht, in het vuur waar de Inca's zo bang voor waren. Het goud, het "zweet van de zon", dat aan de tempelwanden kleefde, en dat, naar verluidt, in de graven en op de velden voor het oprapen lag, smolten de conquistadores meteen maar om. De Zonnemaagden, kuis in dienst van de machtige Zonnegod, vielen in handen van de soldatenhordes. Rechts: de executie van Atahualpa (bron: US History Images) |
![]() |
Diego de Almagro had intussen het inmiddels bezette Cuzco verlaten met een klein legertje, om gebieden ten zuiden en zuidoosten van de hoofdstad te veroveren. Hij vond echter slechts vijandige indianen en moest onverrichter zake terugkeren. De Almagro raakte afgunstig op het succes van Pizarro en tussen de Spanjaarden brak een burgeroorlog uit. Pizarro behaalde de overwinning en liet zijn rivaal executeren. Hij werd echter vrij snel daarna op 65-jarige leeftijd in Lima vermoord door aanhangers van De Almagro. (Sommigen zeggen zelfs dat zijn eigen mensen zich tegen hem keerden.) |
![]() |
Nu de belangrijkste mededingers uit de weg waren geruimd, was Pizarro heer en meester in het rijk. Pizarro stichtte op 18 januari 1535 een nieuwe stad aan de kust onder de naam La Ciudad de Los Reyes (de "Stad van de Koningen"), die later Lima zou gaan heten. De naam Lima is afkomstig van het Quechua woord Rimac ("Spreker"), hetgeen ook de naam is van de rivier die door Lima loopt. Pas in de 16e eeuw kreeg de stad deze naam. Een hoofdstad aan de kust was voor de van zee komende Spanjaarden namelijk veel handiger als bruggenhoofd dan de in de bergen gelegen oorspronkelijke Incahoofdstad Cuzco. De stad werd al snel een van de belangrijkste bases van de Spaanse overheersing in Peru. De 16e-eeuwse kathedraal op het Plaza de Armas is daaraan een herinnering. Gedurende de Spaanse koloniale overheersing was Lima in cultureel opzicht een belangrijke stad in Zuid-Amerika. Ook was een groot deel van het koloniale bestuur gevestigd in Lima. De dichtbij gelegen haven Callao was een belangrijke doorvoerplaats voor goederen die van en naar Spanje vervoerd werden. Tot aan de binnenlanden van Argentinië was dit de belangrijkste haven. Het vicekoninkrijk Peru, zoals het door de Spanjaarden veroverde gebied werd genoemd, viel direct onder de Spaanse troon. Links: het vicekoninkrijk Peru: 1. Lima (1543), 2. La Plata de los Charcas (1559), 3. Quito (1563), 4. Santa Fé de Bogoto (1548), 5. Chili (1563 - 1573, 1606) 6. Panama (1564 - 1751) |
Het land van de Inca's was rijk aan goud en zilver. De Spanjaarden legden vele mijnen aan om deze kostbare delfstoffen te winnen. Verder bouwden zij er plantages voor het verbouwen van maïs, aardappelen, cacao en tabak. Tussen 1550 en 1600 veroverden de Spanjaarden Argentinië en Paraguay. Tussen de verovering in 1572 en de onafhankelijkheid in 1821 werd het land door Spanje bestuurd. Dankzij de ontginning van goud en vooral zilver, waarvoor de inheemse bevolking werd ingezet, en de export van deze rijkdommen, groeide Peru uit tot het centrum van de Spaanse macht in Zuid Amerika. |
![]() |
Na een hoorzitting in Bogota in 1564 werd Nieuw-Granada (Colombia, Ecuador, Venezuela en Panama) een kapiteinsgeneraliteit binnen het Onderkoninkrijk Peru. In 1717 werd Nieuw-Granada losgemaakt van Peru en werd het een eigen onderkoninkrijk (viceroyalty). De reden was dat men ontevreden was over de afhankelijkheid van de gouverneur aan het Onderkoninkrijk Peru. Hoofdstad van Nieuw-Granada was Santa Fé de Bogotá
Links: het viceroyalty New Granada na 1717 |
In 1776 werd het onderkoninkrijk Río de la Plata (Argentinië, Uruguay, Paraguay) afgescheiden van het vice-koninkrijk Peru. Tot 1810 was de Buenos Aires de hoofdstad, daarna Montevideo. |
![]() |
|