5051

Hoofse cultuur

In de twaalfde eeuw nemen in West-Europa zowel bevolking als welvaart flink in omvang toe. Een van de gevolgen hiervan is dat de bovenlaag van de bevolking, de adel, meer tijd heeft om zich met de aangename zaken van het leven bezig te houden. Tijdens de kruistochten raakten velen onder de indruk van de Arabische cultuur, waar de kunst van het levensgenieten veel verder ontwikkeld was dan in Europa. Vanaf die tijd begint zich, het eerst aan de Franse hoven, een 'hoofse' [= van het hof] cultuur te ontwikkelen. Ons woord 'hoffelijk' is daarvan afgeleid.

Deze hoofsheid, begonnen als gecultiveerde omgangsvormen binnen de adellijke elite, wordt al snel de norm in bredere lagen van de middeleeuwse samenleving: je hoort je medemens met respectvolle gemanierdheid tegemoet te treden, je laat de ander in zijn waarde en plaatst deze niet voor onaangename verrassingen. Je bent wellevend, galant en je beheerst je driften en impulsen, kortom: je bent hoofs.

 

In de 11e eeuw ontwikkelt zich de ridderstand met een eigen cultuur die we hofbeschaving zouden kunnen noemen. Deze hoofse cultuur kende als belangrijk aspect de hoofse liefde. Een edelman bemint een vrouwe die van hogere komaf is dan hijzelf. Meestal is zij door een huwelijk al aan een andere man gebonden. De aanbedene is dus volstrekt onbereikbaar. Een belangrijk middel om zijn liefde vorm te geven wordt het minnedicht en zo ontstaat de hoofse lyriek.
De oudst bewaarde wereldlijke muziek is van Troubadours, Trouvères en Minnesänger. Zij waren dichters-componisten, meestal van adellijke afkomst. Zij lieten zich vaak vergezellen door een jongleur of minstreel. Vaak hebben hun liederen een refrein.

De hoofse cultuur ontwikkelt zich eerst in Zuid-Frankrijk. Het eerste belangrijke centrum is het hof van Willem IX, hertog van Aquitanië. Hij wordt gerekend tot één van de eerste troubadours. De meeste troubadours waren dichters of dichters-componisten van adellijke afkomst. Enkele waren van lagere afkomst. Naast liederen over de hoofse liefde vinden we bij hen ook liederen met politieke satire en heldendichten. De liederen die zij schreven werden meestal door minstrelen uitgevoerd, die soms van kasteel naar kasteel rond trokken en soms ook langere tijd in dienst van één kasteelheer bleven. 

De taal waarin de troubadours hun liederen schreven was het oude Provencaals of Langue d'Oc. De bekendste troubadours waren: Guillaume de Poitiers (Willem van Aquitanië) (1071-1127), Marcabru (gest. ca 1140), Bernard de Ventadour (1130-1195), Bertran de Born, Pierre Vidal en Raimbaut de Vaqueiras (gest. 1207)
Waarschijnlijk is veel van het repertoire van de troubadours verloren gegaan. Wat we over hebben van hun liederen levert een beeld op van melodiek die zeer verwant is aan het gregoriaans. Helaas is de interpretatie van hun werk problematisch, omdat hun muzieknotatie bijna geen informatie verschaft omtrent het ritme. Er zijn ongeveer 260 melodieën bewaard gebleven. (Van de trouvères hebben we ca 2000 melodieën over!) Dat de liederen van de troubadours zeer geliefd zijn geweest is af te leiden uit razos (levensbeschrijvingen van troubadours) en uit enkele zeer fraai vormgegeven verzamelingen van hun liederen uit die tijd. Het manuscript van Charles van Anjou is een van de fraaiste "liederenboeken voor de koning." 

Ook over de uitvoering van hun muziek is niet veel bekend. De rol die instrumenten mogelijk gespeeld kunnen hebben blijft speculatief. Hedendaagse uitvoering van hun liederen gaan dan ook meer op intuïtie dan op informatie af. Afbeeldingen van instrumentarium uit deze tijd levert enige informatie over mogelijke instrumentale begeleiding. Omdat de melodieën van de troubadoursliederen enige overeenkomst vertonen met die uit de oosterse culturen (en ook wel met het gregoriaans), gaan sommige uitvoerders ervan uit dat ook de rol van het instrumentarium bij de uitvoering van de liederen op oosterse leest geschoeid was. Vandaar dat sommigen bij uitvoeringen een z.g. bourdon-begeleiding kiezen. (hoofdtonen van de toonladder klinken steeds door als bij draailier of doedelzak.)

Door maatschappelijke veranderingen verdween de troubadourskunst begin 13e eeuw vrij abrupt, o.a. als gevolg van de Albigenzen oorlogen, waarbij de Rooms-Katholieke kerk met steun van de Franse koning de Albigenzen (een ketterse groepering die in Zuid-Frankrijk veel aanhangers had gekregen) op zeer gewelddadige wijze bestreed. Omdat de Franse koning zijn macht na de oorlog naar het zuiden van Frankrijk wist uit te breiden verdween de Provencaalse taal op den duur vrijwel geheel en werd zij verdrongen door de taal van Noord Frankrijk.

Trouvères.
Ca 1150 (iets later dan in het zuiden van Frankrijk) komt ook in het noorden van Frankrijk de hofcultuur op. Dichters-componisten schrijven hier hun poëzie in het Langue d'Oïl. Een belangrijke rol bij het overbrengen van de hoofse cultuur van Zuid- naar Noord-Frankrijk speelt Eleonora van Aquitanië die eerst met de Franse koning Lodewijk VII gehuwd is geweest en later met de Engelse koning Hendrik II. Eleonora was de moeder van Richard Leeuwenhart, die koning van Engeland zou worden en zelf een bekende trouvère was.
Bekende trouvères waren: Chrétien de Troyes (1120-11-80), Richard Leeuwenhart gest. 1199, Thibaut IV van Champagne gest. 1258, Adam de la Halle (1237-1287) Adam de la Halle heeft naast veel liederen ook het eerste muziekspel op zijn naam staan dat bewaard is gebleven: Le jeu de Robin et de Marion. Het stuk is een pastorale waarin een ridder een herderin ontmoet. Het stuk bevat naast gesproken dialogen ook liederen. 

De kunst van de trouvères is enigszins anders dan die van de troubadours. Bij de eersten vinden we meer vaste vormen in hun melodieën en bovendien is hun muziek beter te ontcijferen. Zij hebben vaak een interpretabele ritmisch notatie. De kunst van de trouvères zal in de meerstemmig muziek van de Ars Nova worden voortgezet.

Minnesänger.
In het Duits wordt de hoofse liefde vertaald met hohe Minne. De Duitse zangers van de deze liederen worden dan ook Minnesänger genoemd. De minnesängers waren meestal van adel en waren actief in het Duitse taalgebied. Hun traditie begint ongeveer in 1200. Hun kunst heeft langer bestaan dan die van de troubadours en trouvères. Hendrik van Veldeke wordt, hoewel hij ook tot de vroege Nederlandse schrijvers wordt gerekend, ook als minnesänger beschouwd.
Belangrijke Minnesänger zijn: Walther von der Vogelweide (1170-1228), Tannhäuser ca 1250, Heinrich von Meissen (bijnaam Frauenlob) gest. 1318, Oswald von Wolkenstein (1377-1445).
De liederen van de Minnesänger zijn meestal eenstemmig. De meerstemmigheid komt in het Duitstalig gebied pas later op gang dan in het Franse gebied.

Meistersänger
In de 15e en 16e eeuw zien we in de steden de opkomst van de gilden. Een van de gilden was die van de zangers. In Duitsland werden die de Meistersänger genoemd en in Nederland zien we als tegenhanger de Rederijkers. In de gildencultuur wordt het maken van liederen aan strenge regels gebonden. De bekendste Meistersänger is Hans Sachs (1494-1576). De Meistersängers en Minnesängers zullen in de literatuur en de opera's in de 19e eeuw weer tot leven gewekt worden, zij het in een -soms- geromantiseerde versie. (Richard Wagner: Die Meistersänger von Neurenberg en Tannhäuser) 

De literatuur speelde een belangrijke rol in de hoofse cultuur. Het schrijven en voordragen van liederen en gedichten over de liefde gaf blijk van grote beschaving. Luisteren naar ridderverhalen was een geliefd tijdverdrijf van hoofse edelen en al gauw ook van burgers, die zich aan hen spiegelden. In veel van die verhalen lieten de helden zien hoe het hoort volgens de hoofse regels, terwijl de schurken zich juist onhoofs gedroegen. De liederen en de Eneasroman van Hendrik van Veldeke zijn vroege voorbeelden van hoofse literatuur. Ook het verhaal over Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede is een goed voorbeeld van een roman waarin de held weet hoe hij zich moet gedragen.

 

 

Gemaakt: 20-04-05

colofon