5140 |
Ridders |
Klik hier voor het frame van de pagina |
|
Ridder werd je, in principe, van vader op zoon. Oorspronkelijk vormde de ridderstand de onderste laag van de adel, maar omdat ridderschap al vrij gauw veel aanzien gaf, lieten ook graven en prinsen zich op den duur tot ridder wijden (pas veel later in de Middeleeuwen werd de ridderslag gebruikelijk). De ceremonie waarbij iemand ridder werd, was plechtig en duur. Bovendien kostten ook een goed paard en een solide wapenrusting veel geld: het was niet goedkoop om ridder te zijn. In de late Middeleeuwen zagen veel jonge mannen uit de armere adel dan ook af van zo'n officiële wijding. Omdat je immers tóch al van geboorte van adel was, hoefde je niet langer te bewijzen dat je erbij hoorde. De vraag of je ridderschap van je ouders kon erven of zélf moest verdienen, was een punt van discussie. Opkomst van de ruiter In de legers van de Merovingers die na de Romeinen een deel van Europa overheersten streden de stamhoofden te paard en de vrije boeren te voet. Het belang van ruiters werd in 378 gemeld toen in de slag bij Adrianopolis een Oost-Romeins leger werd verslagen door een Gotisch leger, waarin de cavalerie een belangrijke plaats innam. Het Romeinse leger leeed in deze slag de zwaarste nederlaag sinds die tegen Hannibal bij Canae. Tweederde van het ongeveer 18.000 man sterke leger sneuvelde, waaronder ook keizer Valens. |
Men zegt wel eens dat sinds deze Slag het belang van cavalerie alleen maar toeneemt tot de opkomst van de Engelse langboog en de Zwitserse piekeniers in de 14de en 15de eeuw. Dit is een overschatting van het belang van de Slag van Adrianopel. Het belang van infanterie wordt wel degelijk gerealiseerd door aanvoerders gedurende de gehele Middeleeuwen.
Ontstaan van de ridder |
In de slag bij Poitiers (732) speelde de Frankische ruiterij een belangrijke rol. De stijgbeugel was echter nog niet uitgevonden en ook waren de paarden van een ras dat niet stevig genoeg gebouwd was om een langere tijd een strijder te dragen. De ruiterij werd na Karel Martels overwinning de spil van de Middeleeuwse krijgskunst. Het paard werd de voornaamste uitrusting voor een krijgsman van enig aanzien.
Karel Martel verdeelde de uitgestrekte landerijen van de Frankische kerk die hij in beslag had genomen over de ridders met hun uitgebreide aanhang van soldaten. Iedere ridder moest dit land gebruiken om troepen te verwerven en om zijn onkosten te bestrijden. Tijdens een plechtig ceremonieel werd een ridder als leenman (vazal) aangesteld. Hij viel voor de koning op zijn knieën, legde zijn handen tussen die van zijn heer en beloofde van dat moment af "zijn man te zijn", hem in oorlogen te helpen en hem en diens gevolg bij zijn reizen door het leen te onderhouden. Zolang de leenman zijn heer welgezind en trouw was, mocht hij de inkomsten uit zijn eigen leen zelf gebruiken, maar bleef hij in gebreke, dan had de koning (zijn leenheer) het recht hem het leen af te nemen. |
Een revolutie in het zadel Zeven eeuwen na de slag bij Adrianopel vond er een revolutie plaats in de manier waarop de cavalerie vocht, hierdoor nam het belang van de ridders toe. |
![]() |
De introductie van de stijgbeugel rond 800, de ontwikkeling van het hoefijzer, een betere bewapening en de uitvinding van het zadel dat zowel van voren als van achteren was verhoogd, hetgeen de ruiter een stevigere zitplaats verschafte, betekenden dat de ridder met ontvelde lans kon vechten. Dit betekende dat de ridder met de teugels en schild in de linkerhand en de lans recht langs zijn rechterarm gebruik kon maken van de voorwaartse kracht van het paard, zonder dat hij door de klap van de inslaande lans uit het zadel werd gelicht. Deze manier van aanvallen verspreidde zich snel in de 11de eeuw. Deze verpletterende aanval kon bijna iedere troep voetsoldaten breken. De oorlogszuchtige Turken in het nabije oosten hadden er geen antwoord op en wisten alleen te vluchten.
De kosten van de wapenuitrusting limiteerden het aantal mannen dat op deze wijze kan worden uitgerust en in de loop der jaren zullen deze kosten alleen maar stijgen. Karel de Grote verordonneerde daarom de arme vrijen samen te werken en één van hen van een wapenrusting te voorzien. Velen vonden hiervoor een handige oplossing. Zij gaven hun land en vrijheid aan een gekozen heer en verkozen een aantal dagen op zijn land te komen werken. In ruil hiervoor ontvingen zij bescherming en werden zij ontheven van militaire dienst. |
Zo ontstaat de hofhorigheid. De heer bewapende mede dankzij zijn toegenomen welvaart enkele vazallen, hetzij door de opbrengsten van zijn eigen land, hetzij door hen een stuk land te geven. Op deze wijze bouwde de heer een eigen legertje van strijders op. Deze vazallen, die men later 'ridders' zou noemen, zouden echter al snel de meerderheid vormen. Deze praktijk was het grondbeginsel van de georganiseerde maatschappij van het feodale tijdperk.
De dienstplicht In het begin worden de ridders geacht om ieder jaar 40 dagen hun militaire dienst voor hun heer te vervullen, hetgeen hun militaire waarde natuurlijk vermindert. Om deze waarde te vergroten worden diegenen die dat willen betaald om langer in dienst te blijven. Een andere manier is om belasting te vragen aan de ridder in plaats van hem te vragen zijn dienst te vervullen. Met de belastingopbrengst kan men dan een vervanger (door)betalen. Deze vervangers zijn vaak beroepsridders, mannen zonder land of onterfde ridders die van het zwaard leven. Nog een manier is om bijvoorbeeld een derde van de ridders te vragen drie maal zo lang dienst te doen. Of de ridders te vragen minder mannen mee te nemen, maar langer dienst te doen. De diensttijd zal op deze wijze uiteindelijk tot ca. 3 maanden oplopen. |
Een edel dier Een ridder gaat uiteraard te paard en dat paard is een kostbaar bezit. Geen wonder dat het paard in deze tijd een edel dier wordt. De ridders verlangen een speciaal ras, de destrier. Dit paard wordt speciaal gefokt voor het dragen van zware mannen en getraind voor oorlogstijden. Het is mogelijk dat pas in de 8ste eeuw een Arabisch ras in Europa wordt geïntroduceerd dat een dergelijke last kan dragen. De ontwikkeling van steeds zwaardere bewapening voor zowel man als paard betekent dat het fokprogramma op sterkere grotere paarden is gericht. Het gebruik van bewapende paarden versterkt de kracht van cavalerie, maar beperkte de mobiliteit. In de 13de en 14de eeuw krijgen de bezitters van een bewapend paard meer loon. De destrier is van grote waarde voor de ridder. Het wordt alleen in oorlogstijd bereden en bij een verrassingsaanval. De eerste taak van de ridder is gelegen in het redden van zichzelf èn zijn paard. Pas als er tijd genoeg is bekommert hij zich om zijn wapenrusting. Een bron uit 1220 meldt dat een paard 10 slaven waard is. Uit bronnen aan het eind van de 13de eeuw blijkt dat ridderpaarden een veelvoud waard zijn van gewone paarden, soms zelfs 25x zo veel. Vergelijk dit met 4x de waarde van een merrie in de Karolingische tijd en men ziet hoe de prijs is opgedreven. |
Een nieuwe maatschappij Nieuwe ideeën reflecteren de toenemende importantie van bewapende cavalerie in maatschappij en oorlog. In plaats van een maatschappij waarin alle vrije mannen een militaire dienst vervullen komt er een model waarin drie klassen bestaan. De laboratores, de laagste klasse van halfvrijen (horigen) die het werk doen, de bellatores, de middenklasse van ridders die vechten om de maatschappij te beschermen en de hoogste klasse, de oratores, diegenen die voor iedereen bidden. Vooral de kerk ontwikkelt dit idee in een poging om de vele oorlogen in te dammen. De talloze oorlogen zijn een doorn in het oog van de kerk, ze verstoren de orde en leiden tot verval en bezetting van kerkelijke goederen. Er wordt soms beweerd dat de oproep tot de kruisvaart de kerk is ingegeven om de energie die verloren gaat in de vele burgeroorlogen te bundelen ten gunste van de christelijkheid in het algemeen en het redden van de zielenheil van de ridders in het bijzonder. Intellectueel zijn de ridders (nog) niet. Letteren en schone kunsten worden alleen onderwezen in kringen van de allerhoogste adel in de 11de eeuw. Noch hebben zij de deugden die met het riddertijdperk worden geassocieerd. Dat tijdperk ligt nog in de toekomst. |
Ridderlijke erecode De klasse der ridders ontwikkelt een eigen eergevoel: ridderlijkheid. Hoe deze ridderlijkheid wordt toegepast zal vaak door praktische bezwaren en gewin worden gedwarsboomd, maar het maakt de edelen van buiten de klasse bezien wel tot een eenheid. Deze ridderlijkheid bestaat uit een vreemde middeleeuwse mix van erbarmen en brutaliteit. Zo worden bijvoorbeeld eenvoudige buitenlui massaal vermoord, landen vergaard en geplunderd, terwijl men op een heilige missie als een kruistocht is. Het lijkt waarschijnlijk dat liederen als het Roelantslied een grote invloed op de ridderlijke moraal hebben. In het Roelantslied worden bloemen, planten en vogelgezang in één adem verheerlijkt met het kampement van een leger, een belegering en het blinken der zwaarden. Hierin gaat de heer voorop in de strijd als voorbeeld voor degenen die hem volgen. In dit lied vindt men evenveel plezier in lekker eten en drinken als in het zien van de doden met de lansen tussen de ribben. |
![]() |
Opleiding van de beroepssoldaat Er bestaat geen militaire opleiding in de Middeleeuwen. Er zijn echter wel lieden die op individuele basis les geven aan ridderzonen. Deze leraren bereiden de aanstaande ridder voor op zijn toekomstige taak en positie. De opleiding begint al in het gezin en wordt voortgezet in dienst bij een andere heer als schildknaap. De ridder wordt een beroepssoldaat, omdat hij daar de tijd voor heeft. Hij hoeft immers geen gewoon werk te doen. Van jongs af aan wordt hij met wapens geschoold en vele jaren zal hij doorbrengen in de kunst der wapenen en hoffelijkheid. Hij leert niet alleen van man tot man te vechten, maar ook hoe in een 'conrois' te vechten. Pas wanneer hij vele jaren heeft gediend wordt hij uiteindelijk tot ridder geslagen. |
Training Het is niet bekend of ridders geregeld trainen, maar dit zal vooral persoonlijk zijn bepaald. Oorlog en verdediging van zijn leen zijn harde leerscholen. De meest favoriete training zal echter het toernooi zijn geweest. Pas aan het eind van de Middeleeuwen wordt dit toernooi de gereglementeerde romantische voorstelling die men er nu van heeft, maar in het begin is dit een levensecht model van echte oorlog. Zeker als op een bepaald moment de botte wapens door scherpe worden vervangen. In het toernooi worden teams van ridders samengesteld waarna in het schijngevecht de formaties en bewegingen worden ingeslepen. Degenen die niet zo bedreven zijn worden een stuk armer, want zij verliezen hun paarden en bewapening aan hun overwinnaars. In het toernooi kunnen ridders tot grote naam en faam stijgen, zoals tegenwoordig topsporters wijd en zijd bekend zijn. De kerk ziet dit echter met lede ogen aan en ziet het toernooi als bedreiging van d openbare orde. Een toernooi kan immers gemakkelijk tot een echte oorlog uitgroeien, hetgeen ook wel gebeurt of een dekmantel zijn om een concurrent om te brengen als hij zich buiten zijn kasteel vertoont. |
Vechten als beroep In de 12de eeuw blijken de meeste heren niet meer te willen vechten. De risico's worden te groot. Steeds vaker zijn het dienaren en ministerialen die de strijd aangaan in naam van hun heer. Ridders zijn dan overal te vinden in het gevolg van een vorst of edelman, maar slechts zelden worden zij zelf als ridder bestempeld. De ridders zijn beroepssoldaten geworden. In de 13de eeuw worden de edelen wel weer ridder genoemd, maar dan in de hogere betekenis van het woord. Kortom, iemand met ridderlijke eigenschappen. |
![]() |
De zwaardomgording De ceremonie van de zwaardomgording vindt zijn oorsprong in Germaanse gebruiken. De gordel als symbool van de soldatenstand is van zeer oude Germaanse oorsprong. Hierbij wordt de jongen, slechts 12-14 jaar, middels een plechtige proclamatie in staat geacht wapens te dragen. Hij is dan geen jongen meer maar een man. Door het toenemende gebruik van paarden en zwaardere wapens verschuift de leeftijd in de loop der eeuwen naar ongeveer 20 jaar voordat men een volgroeide man is. Soms wordt een enkeling van niet-adellijke afkomst tot ridder geslagen wanneer hij zich in een veldslag bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt. De uiterlijke kenmerken van de ridder zijn de gordel en de sporen. |
![]() |
De rol van de ridder in de slag De middeleeuwse strijd wordt vaak beslist door persoonlijke moed en bedrevenheid van de betrokken ridders. Zij vormen de voornaamste groep van het leger. De beslissing van de slag ligt in handen van de ridders. Het leger is ondergeschikt aan hen. Als een ridder te voet moet vechten wordt hij echter ten zeerste in zijn bewegingen beperkt. Zijn zware wapenrusting verhindert hem te voet ten aanval te gaan. |
![]() |
Voor het gevecht te voet dient het voetvolk bestaande uit lansiers en (kruis-)boogschutters. Zij zijn echter niet meer het in manoeuvres getrainde leger van de Romeinen. Zij zijn slechts hulptroepen. De strijdros wordt zo veel mogelijk voor de slag gespaard en de ridder heeft meestal enkele paarden bij zich, want het paard is het meest kwetsbare onderdeel van zijn uitrusting. In latere tijden ontstaat niet voor niets een harnas voor paarden, zodat de ridder echt de tank van de Middeleeuwen wordt. Riddereenheden Er is in oorkondes sprake van 'conrois', een kleine eenheid van ridders, waarvan de grootte bepaald wordt door het aantal ridders dat een Heer kan onderhouden. Een aantal conrois vormen samen een grotere eenheid onder leiding van een 'banneret'. Dit is iemand die te onderscheiden is door middel van een vlag of banier, kortom een bannerheer. En tenslotte vormen een aantal banneretten een 'slagorde', de grootste tactische formatie in een middeleeuws leger. Aan het eind van de 11de eeuw is de slagkracht van een eenheid ridders wijd en zijd bekend. |
![]() |
Aan het eind van de Middeleeuwen bracht een innovatie van de krijgskunst een grote omwenteling teweeg: een eenheid goed gedisciplineerde soldaten, uitgerust met lange lansen of pieken (piekeniers) kon een cavalerie-charge van ridders te paard in de kiem smoren. De paarden liepen in een bos van metalen punten, stortten gewond neer ter aarde, hun bereider meeslepend. Deze was door zijn zware harnas traag en kon zich slecht verweren tegen de slagen van knotsen, bijlen en zwaarden van de infanterie. Einde aanval.
Deze innovatie betekende een democratisering van van de oorlogvoering. Ervoor was de ridder - een vermogend edelman, die zich een paard, harnas en schildknapen kon veroorloven - superieur op het slagveld. Een infanterielinie, laat staan een groep boeren, was niet bestand tegen een galopperende ridder met lans. Maar na deze uitvinding kon zelfs een horde opstandige en dappere boeren een ridderaanval weerstaan. De hegemonie van de ridder te paard was ten einde. Dat had historisch verstrekkende gevolgen. Voor de ogenschijnlijk kansloze Schotse boeren (film Braveheart) lijkt het laatste uur geslagen, als de zelfverzekerde, arrogante Engelse adel te paard op hen afstormt in de slag bij Bannockburn (1314). |
Dan komen de lansen te voorschijn en storten de Engelse ridders zich in hun ondergang. Ze worden afgeslacht. Uiteindelijk leidt deze overwinning aan het begin van de 14e eeuw tot de onafhankelijkheid van de Schotten. De Engelsen hadden hun lesje geleerd en dat zouden de Fransen weten. Dat blijkt maar al te pijnlijk in de beroemde slag bij Azincourt.(25 oktober 1415). Een aanval van trotse Franse ridders op een formatie eenvoudige Engelse boogschutters loopt spaak op een woud van in de grond gehamerde aangepunte stokken. De Franse infanterie-aanval loopt ook in de soep, mede door de chaotisch terugtrekkende ridders. De bloem van de Franse adel komt om of wordt gevangen genomen. En dan te bedenken dat de Franse nederlaag al een eeuw geleden aangekondigd was. Met vergelijkbare antipaard-tactieken hadden de opstandige Vlaamse gilden in de Guldensporenslag van 1302 bij Kortrijk ook al een Frans leger in de pan gehakt.
|
![]() |
laatst bijgewerkt: 28-11-07 |