5078 |
Hendrik van Veldeke |
![]() |
Hendrik van Veldeke, die leefde in de tweede helft van de twaalfde eeuw, is de eerste Nederlandse schrijver die we bij naam kennen. We moeten hem wel delen met onze Duitse buren: zijn werk wordt namelijk zowel tot de Duitse als de Nederlandse literatuur gerekend. Niet vreemd, wanneer je bedenkt dat hij leefde en werkte op de grens van twee taalgebieden. Veldeke is afkomstig uit het Maasland, uit de omgeving van Hasselt in Belgisch Limburg. In die streek treffen de Nederlandse en Duitse taal en cultuur elkaar en in Veldekes tijd bloeiden hier de kunst en de economie. Veldeke was een ontwikkeld man en hij kende goed Latijn en Frans. Hij schreef in opdracht van gravin Agnes van Loon een heiligenleven over Sint Servaas in zijn moedertaal, het Limburgs. In 1174 begon hij aan een ridderverhaal over de Trojaanse held Eneas. Veldeke baseerde zich op een Franse roman die kort daarvoor was gedicht. Hij was kennelijk goed op de hoogte van de nieuwste literatuur. Aan de Eneasroman is een bijzonder verhaal verbonden. Veldeke had een boek met de tekst bij zich tijdens een bruiloft in Kleef (niet ver van Nijmegen) en liet het daar zien. En hoewel de roman nog niet af was, werd het manuscript gestolen door de broer van de bruidegom. Pas negen jaar later kreeg Veldeke het boek terug en kon hij het voltooien. |
![]() |
|
Terwijl Servaas ligt te slapen, schermt een engel hem af van de zon. Miniatuur in een Franse bijbel uit circa 1200. De Servaaslegende van Hendrik van Veldeke is een opeenstapeling van wonderbaarlijke zaken. Althans zo kijken wij, nuchtere 21e-eeuwers, tegen de verhaalde gebeurtenissen aan. Wij nemen die beschrijvingen met een korrel zout, maar in de Middeleeuwen werden heiligenlevens onvoorwaardelijk voor waar gehouden, zeker wanneer deze op een Latijnse voorbeeld waren gebaseerd. Hendrik van Veldeke kon zich beroepen op een Latijnse bron, de Vita Sancti Servatii (Het leven van Sint Servaas), die beschikbaar werd gesteld door ene Hessel, koster-bibliothecaris van de Servaaskerk in Maastricht. De Servaaslegende is een vertaling-in-verzen van een Latijnse prozatekst. Veldeke maakte deze vertaling op verzoek van Agnes, echtgenote van de graaf van Loon. Zo'n opdracht betekent in feite dat de gravin de auteur in staat stelde zijn werk te doen: ze gaf hem kost en inwoning, zorgde voor schrijfbenodigdheden en gaf hem wellicht ook nog een extra beloning (in geld of in natura: bijvoorbeeld kleren of wijn). De Servaaslegende bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt beschreven hoe Servaas, een achterachterneef van Jezus, door God als bisschop naar Tongeren wordt gezonden. Omdat de Hunnen West-Europa onder de voet dreigen te lopen, wordt Servaas naar Rome gezonden in een laatste poging het onheil af te wenden. In een visioen ziet Servaas Petrus verschijnen die hem meedeelt dat Tongeren ten onder zal gaan. Na zijn terugkeer vertrekt Servaas naar Maastricht waar hij zijn laatste adem uitblaast. |
In het tweede deel doet Veldeke eerst uit de doeken welke puinhopen de Hunnen aanrichtten. Vervolgens beschrijft hij een groot aantal wonderen die God ter ere van Servaas heeft laten plaatsvinden. Een van die wonderen is het volgende. gemaakt 05-10-03 |