5075 Ridderromans en chansons de geste

 

Vanaf ongeveer 1100 werden in Europa talloze ridderromans gedicht. Het waren romans vóór en over de ridderstand. Op rijm, want dat lag beter in het gehoor. En in de volkstaal, want veel ridders verstonden geen Latijn. De mode van de ridderroman begon in Frankrijk, met de vijf Arturromans van Chrétien de Troyes. Veel Nederlandse romans zijn dan ook vertalingen uit het Frans.

De meeste ridderromans spelen zich af aan en rond het hof van Karel de Grote of van koning Artur. Maar ook over helden uit een verder verleden werden ridderromans geschreven. In de ogen van de middeleeuwers stonden grote helden uit het verleden op gelijke hoogte met de vooraanstaande ridders uit de eigen tijd.

De belangrijkste 'ridders' uit de wereldgeschiedenis werden vereerd als de 'Negen Besten': drie uit de klassieke oudheid (Hector, Alexander de Grote en Julius Caesar); drie uit de joodse geschiedenis (Jozua, David en Judas Maccabeüs) en drie christenen (Artur, Karel de Grote en Godfried van Bouillon).

Ridderliteratuur was een bron van verstrooiing: aan de middeleeuwse hoven genoot men van lange en spannende verhalen over moed, trouw en liefde. Maar ze had ook een voorbeeldfunctie: de lotgevallen van de romanfiguren dienden tot voorbeeld van de edelen die naar zulke verhalen luisterden. Als Elegast in het beroemde verhaal Karel ende Elegast zijn onbeschofte tegenstander uit het zadel heeft gestoten, laat hij hem - zoals een hoofs ridder betaamt - eerst weer in het zadel klimmen alvorens op leven en dood verder te vechten. Maar of het in de werkelijkheid altijd zo hoofs toeging?

Veel Karelromans zijn hoofdzakelijk gewijd aan oorlog en massagevechten, vaak tussen christenen en moslims, terwijl in de Arturromans de nadruk ligt op individuele avonturen, toernooien en tweegevechten, en de hoofse liefde. Hoewel de naam van deze romans anders zou doen vermoeden, waren Karel of Artur vrijwel nooit zélf de hoofdpersoon. In veel Karelromans was keizer Karel zelfs een ronduit onsympathieke figuur, die de eigenlijke held het leven zuur maakte. Koning Artur bleef meestal op de achtergrond, terwijl de aan zijn hof verbonden ridders op avontuur gingen. Deze ridders, die bekend stonden als de ridders van de Ronde Tafel, probeerden elkaar op tochten vol avontuur en tijdens toernooien de loef af te steken.

Chansons de geste

Vanaf omstreeks 1100 worden in Frankrijk handschriften vervaardigd waarin zogenoemde chansons de geste opgetekend zijn. Het zijn verhalende gedichten over al dan niet verzonnen gebeurtenissen uit de tijd van Karel de Grote, diens voorgangers en opvolgers. Hoe deze chansons door de jongleurs (die niet alleen kunsten vertoonden, maar ook verhalen voordroegen) ten gehore werden gebracht, is niet precies bekend. Vermoedelijk moeten we denken aan een gezongen voordracht op een eenvoudige melodie die steeds herhaald werd. Ongetwijfeld werden de chansons aanvankelijk vanuit het geheugen gepresenteerd. Wellicht hebben de jongleurs wel eens een geheugensteuntje gehad in de vorm van handschriften, die zij konden gebruiken om de tekst uit het hoofd te leren of om er al voordragend af en toe een blik op te werpen. Er zijn namelijk kleine, eenvoudige handschriften met een formaat van ca. 11×17 cm. overgeleverd, die door hun omvang gemakkelijk meegenomen konden worden en waarvan men vermoedt dat het jongleurs-handschriften zijn geweest. De mondelinge overlevering heeft in de chansons de geste haar neerslag gevonden in de stijl, die gekenmerkt wordt door zogenoemde formules, vaste uitdrukkingen waarmee gevechten en andere gebeurtenissen op stereotiepe wijze beschreven worden. In verscheidene chansons de geste is een historische kern aanwijsbaar. 

  Zo gaat het Chanson de Roland terug op de nederlaag in Spanje in 778, maar in het gedicht nemen de Saracenen de plaats in van de Basken en zijn er volop niet-historische elementen binnengeslopen, zoals Roelants zwaard Durendale, zijn hoorn Olifant en vooral zijn gezworen vriend Olivier. 

Ook in andere chansons wordt de historische feiten geweld aangedaan. Zo is de verovering van Narbonne op de moslims in de Geste de Guillaume d' Orange door Karel de Grote in werkelijkheid het werk van Karels vader Pepijn geweest en de strijd tegen Karel de Grote van Girart de Vienne in het gelijknamige epos gaat terug op een geschil tussen de graaf van Vienne en Karel de Kale uit 870. 

We hebben hier te maken met het verschijnsel ‘epische concentratie’: historische feiten die in verband staan met allerlei Karolingische vorsten, worden toegedicht aan de bekendste onder hen, Karel de Grote. Hierin vinden we een verklaring voor het variabele karakter van Karel in de chansons - soms is hij een toonbeeld van rechtvaardigheid, soms een tiran - en voor de overvloed aan avonturen die hij beleefd zou hebben. Bovendien moeten we bedenken dat er ook veel teksten zonder historische achtergrond ontstaan zijn toen de verhalenstroom eenmaal op gang gekomen was.

Hoe moeten we ons het ontstaan van de geschreven chansons de geste omstreeks 1100 voorstellen? Een oude, ‘romantische’ theorie uit de tweede helft van de negentiende eeuw, die van Gaston Paris, zegt dat zij teruggaan op liederen die direct na grote gebeurtenissen ontstaan zijn. Deze zogenoemde cantilènes zouden door het volk gezongen en later door jongleurs van generatie op generatie doorgegeven en bewerkt zijn, om vanaf ca. 1100 op schrift gesteld te worden. Zoals gezegd zijn er echter ook verscheidene chansons zonder historische kern. Zo reist Karel de Grote in Le Pèlerinage de Charlemagne naar Jeruzalem en Constantinopel. 

Mede op grond van deze niet-historische chansons kwam Joseph Bédier omstreeks 1910 tot de hypothese dat de teksten pas in de elfde eeuw, veelal langs de grote pelgrimsroutes, ontstaan waren als resultaat van een samenwerking tussen jongleurs en monniken. Tegenwoordig houdt men het op een synthese, die inhoudt dat de chansons zoals we die nu kennen het werk zijn van individuele dichters die gebruik maakten van de mondelinge overlevering. Er zijn verscheidene aanwijzingen dat er tussen 800 en 1100 inderdaad verhalen rond Karel de Grote gecirculeerd hebben. In de eerste plaats wordt in verschillende Latijnse teksten uit die tijd vermeld dat het volk over bepaalde helden, zoals Guillaume d'Orange, liederen zong. Ten tweede bevatten enige Latijnse bronnen passages die bewijzen dat er al heel vroeg verhalen verteld werden over historische helden die we later in de chansons de geste terugvinden. Zo is in de zogenoemde Nota Emilianense van ca. 1070 een samenvatting van een Spaans lied over Karels veldtocht tegen de Saracenen in Spanje opgenomen, die naar inhoud aansluit bij het Chanson de Roland. Verder worden er in die tijd meer dan eens kinderen uit één gezin naar Roland en Olivier genoemd; dat de tweede in werkelijkheid nooit geleefd heeft, doet vermoeden dat de ontwikkeling van feit naar verhaal - in het Chanson de Roland zijn zij gezworen vrienden - al in een vergevorderd stadium was.

In de oudste chansons de geste neemt de strijd tegen de heidenen een belangrijke plaats in. Dat is enerzijds in overeenstemming met de historische gegevens, anderzijds speelt ook de twaalfde-eeuwse situatie - het is de tijd van de kruistochten - een duchtig woordje mee. In de latere teksten vinden we ook hoofse motieven en wonderbaarlijke gebeurtenissen. Een indeling van de chansons de geste naar de inhoud geeft Bertrand de Bar-sur-Aube omstreeks 1200 in zijn Girart de Vienne. Hij onderscheidt drie verhalencycli. De eerste cyclus, de ‘Geste du roi’, waartoe het Chanson de Roland behoort, besteedt volop aandacht aan de oorlogen van Karel de Grote tegen de heidenen. 

In de tweede cyclus, de ‘Geste de Doon de Mayence’ (ofwel de ‘Cycle des barons révoltés’), staat de gespannen verhouding tussen de koning en zijn grote vazallen centraal. Tot deze cyclus behoort Renaut de Montauban. De derde cyclus, de ‘Geste de Garin de Monglane’ (ook wel de ‘Geste de Guillaume d'Orange’ genoemd) gaat over Guillaume d'Orange en diens geslacht. Hierin zijn een sterke familieband en een onverbrekelijke trouw jegens de niet altijd even rechtvaardige vorst in het oog springende kenmerken. Daarnaast zijn er teksten die buiten deze indeling vallen en die op lokale tradities inspelen, zoals de Garin le Loherain uit het einde van de twaalfde eeuw, die de strijd van de Lotharingers tegen de baronnen uit de omgeving van Bordeaux behandelt. In latere chansons de geste als Huon de Bordeaux (vermoedelijk ca. 1230) tenslotte neemt het fantastische een opvallende plaats in.

Gemaakt: 14-12-05

colofon