5594 | Hamaland (ca. 1000 - 1100) |
![]() |
![]() |
Adela van Hamaland, de oudste dochter van de machtige en rijke graaf Wichman ll van Hamaland, was in 996 hertrouwd met de edelman graaf Baudry (Balderik), tot 995 een vazal van Adela's zuster Liutgard, die was overgelopen naar het kamp van Adela. Na het huwelijk veroverde Balderik in 996 met geweld het klooster te Elten. Alpertus meldt dat "de altaren met werpspiezen werden doorboord". Balderik nam enkele kloosterlingen gevangen. Keizer Balderik zou daarna een glanzende carrière maken. In 1003 wordt hij in een oorkonde genoemd als "graaf". In 1006 treedt hij op als graaf in Drenthe en vermoedelijk in Salland. In datzelfde jaar wist Balderik een Vikingaanval bij Tiel af te slaan, waarbij hij optrad als prefect en plaatsvervanger van Godfried. Die benoeming tot prefect zal hem de graafschappen wel hebben opgeleverd. Balderik had vele verspreide bezittingen. Zo had hij hoeves in Doesburg, Hummelo, Angerlo, Voorthuizen, Didam, Tongeren, Doesburg, Dieren, Soeren, Doornspijk, Helbergen, Voorst, Azewijn en Westervoort. Verder de nog niet nader te duiden oorden Swelle, Eliza, Merclede, Hecra, Hecheim, Dule, Eltna en Lopena. Dit zijn allemaal goederen die graaf Werner (II) in 1025 uit de geconfisqueerde boedel van Balderik zou krijgen (erven?). Daarnaast had Balderik bezittingen in de Duffelgouw, waar hij tussen 1014-1016 het klooster Zyfflich stichtte. Zijn bezittingen in Duffel zouden later in handen van de graven van Kleef komen. Adela liet zich door haar nieuwe echtgenoot opstoken om haar zoon Diederik om het leven te brengen. Dit is waarschijnlijk gebeurd in 1016. Diederik liet twee dochters na. De oudste daarvan was hoogstwaarschijnlijk gehuwd met Godfried. Keizer Toen de prefect Godfried overleed meende Balderik dat hij zijn aangewezen opvolger was, tenslotte had hij Godfried al in die functie succesvol vervangen. Balderik droeg rechten via zijn vrouw Adela, een dochter van Wichman (IV), maar als neef van Godfried was hij zelf ook drager van rechten, maar er waren kapers op de kust. Wichman III van Vreden, wiens goederen grensden aan Hamaland had ook trek in het ambt en meende eveneens aanspraken te hebben. Hij was getrouwd met Reinmodis, de dochter van Godfried 'de Prefect'. Uiteindelijk besloot keizer Bij zijn terugkomst nam Balderik Gennep in. Een nieuwe strijd ontbrandde. Over en weer werden wreedheden begaan. Adela liet, volgens Alpert, zelfs gevangenen de neuzen en oren afsnijden. Balderik werd op een gegeven moment gevangen genomen, waarbij een pluk uit zijn baard werd getrokken. Adela moest een losgeld voor hem betalen om hem vrij te krijgen. Twee keer werd de vrede getekend, maar beide keren hervatten de kemphanen op verraderlijke wijze de oorlog. Balderik werd gesteund door Gerhard (III) "Mosellanus" en Lambert I van Leuven. Twee heren die, om verschillende redenen, het rijksgezag aan hun laars lapten. Met beide graven was Balderik waarschijnlijk verwant. Wichman III van Vreden werd gesteund door een oude strijdmakker van Balderik, Godizo van Aspel. In 1012 veroverden Balderik en Gerhard (III) de burcht Heimbach op Godizo. In 1016 leek het erop dat Wichman III en Balderik de vete hadden bijgelegd. Wichman lll van Vreden nodigde Balderik uit voor een feestmaal waarna Balderik zijn vroegere vijand uitnodigde op zijn nieuwe kasteel Opladen. Wichman III had wellicht geaarzeld, omdat hij gravin Adela toch niet helemaal vertrouwde, maar vanwege de nieuwe vriendschap toch hebben besloten de uitnodiging aan te nemen. Opladen was waarschijnlijk het eerste mottekasteel in de Graafschap. De turbulente tijden eisten blijkbaar het nieuwste van het nieuwste. In tegenstelling tot walburgen konden mottes relatief snel worden opgeworpen en bovendien verdedigd worden met een relatief kleiner aantal manschappen. Bij walburgen waren langs de gehele wal verdedigers noodzakelijk. Dit zou een afspiegeling van de tanende centrale macht versus de opkomst van lokale heerser met beperkte mogelijkheden kunnen zijn. De exacte locatie van Opladen is niet bekend, maar het is niet ondenkbaar dat de motte op de heuvel in Montferland heeft gestaan. Het moet een flinke burcht zijn geweest. Volgens kroniekschrijver Alpert van Metz lag de burcht "op een natuurlijke heuvel die zich geleidelijk uit de vlakte verheft, door ophoging uitstekend is versterkt en, wat in die streken (Hamaland) zeer zeldzaam is, door een muur is omgeven". Aangenomen wordt dat Opladen "hoge berg" betekent. Adela was wellicht verrast door de komst van Wichman III, die zij diep in haar hart de schuld gaf van al het ongemak dat ze had geleden. In haar hoofd speelde volgens Alpert ongetwijfeld de gedachte om hem evenals haar zuster op de gifbeker te trakteren. Maar ze liet niets blijken en ontving Wichman III allerhartelijkst. Haar snode plannen durfde Adela echter niet in Opladen uit te voeren. Ze zocht contact met enkele huurmoordenaars, die voor een ruim bedrag Wichman III wel uit de weg wilden ruimen. Na drie dagen verwennerij vertrok Wichman III . Balderik, blij dat er niets was gebeurd onder zijn dak, begeleidde vrolijk schertsend zijn gast een eindje. Na ongeveer een uur gaans namen ze hartelijk afscheid en gingen ieder huns weegs. Meteen na dit afscheid werd Wichman III met zijn gezellen aangevallen door 'rovers' en doodgeslagen. Een groot tumult onstond toen het bebloede lijk van Wichman III werd gevonden. Onbekend is wat er is gebeurd, maar eenstemmig kreeg Balderik de schuld en werd hij door bisschop Adelbold van Utrecht buiten de wet gesteld. Balderik verschanste zich op Opladen, wat voor zijn tegenstanders het teken was dat hij schuldig was; want waarom zou een eerlijk man zich verschansen? Balderik zag het niet meer zitten, maar Adela vuurde hem aan. Opladen werd in staat van oorlog gebracht. De nodige voorraden werden ingeslagen om een langdurig beleg te kunnen doorstaan. Vrienden werd gevraagd bijstand te verlenen. Een groot aantal troepen kwam nu in beweging. Vorsten en edelen uit de wijde omtrek voelden zich geroepen om deze lafhartige moord te wreken. De verontwaardiging was alom groot. De bisschoppen van Munster, Utrecht en Meinwerk, de bisschop van Paderborn, de hertog van Saksen en hertog van Neder-Lotharingen en tal van kleinere heren sloten zich aaneen om Opladen te belegeren. Balderik wachtte de slag niet af. Met enkele gezellen wist hij in het holst van de nacht te ontkomen. De troepen stormden tegen de hellingen op, maar werden bij de muren warm ontvangen door gravin Adela die het commando van haar gevluchte man had overgenomen. Adela weerde zich dapper, maar vergeleken met het leger dat voor haar deur stond, was haar bezetting minimaal. Om de vijandelijke legers in de waan te brengen dat ze een groot leger had verzameld, liet ze vrouwen met helmen over de muur lopen. Zo kon ze het beleg enkele dagen volhouden. Toen ze in de verte de legers van keizer Hendrik II zag naderen, zoals deze had beloofd, liet ze de moed zakken. Ze koos eieren voor haar geld en stuurde enkele afgezanten naar de vijand om te onderhandelen. Op onnavolgbare wijze wist ze een vrije aftocht te bedingen, maar bisschop Adelbold van Utrecht nam de burcht in en sloopte deze tot op zijn grondvesten. Keizer Balderik ontsnapte amper aan de woede van zijn vroegere vijanden. Hij nam de vlucht en zwierf langs de Rijn, waar hij door zijn enige overgebleven vriend, de aartsbisschop Heribert van Keulen, werd beschermd. In 1019 werd Balderik op de rijksdag te Dordmund van de moord op Wichman III van Vreden vrijgesproken, maar de verbeurdverklaring van zijn goederen werd niet ongedaan gemaakt. Gerard De open gekomen graafschappen werden ten dele bezet door Gerard, de zoon van Bava, de jongere dochter van Diederik van Hamaland die gehuwd was Gerard 'Flamens' ('de rossige'). Toen Godfried 'met de Baard' in 1046 uit zijn graafschappen werd gezet, nestelde Gerard zich op de Veluwe, in Teisterbant (Tieler- en Bommelerwaard, een graafschap dat Diederik van Hamaland door zijn huwelijk had verkregen) en in de Betuwe. Dat laatste was een graafschap dat uit de familie van Immed stamde, net als de Hetter- en Duffelgouwen (ter weerszijden van de Rijn bezuiden Hamaland). De Hettergouw waarin o.a. de plaats Geldern ligt waarnaar het gravenhuis van Gelre zich later ging noemen, en vermoedelijk ook wel de Duffelgouw, heeft dezelfde Gerard pas na 1063 kunnen overnemen, net als ruwweg in dezelfde tijd het zuidelijke deel van Hamaland. Dat de 'Flamenses' op die Hettergouw (en Duffelgouw) én op zuidelijk Hamaland een poosje hebben moeten wachten, kwam omdat daar vóór 1046 andere lieden zich hadden genesteld. Zuidelijk Hamaland is vermoedelijk in 1026 vergeven aan een gunsteling van koning Konrad II (1024 - 1039), een zekere Werner. Dat kon gebeuren omdat Gozlin I zich in 1024-1025 hevig verzette tegen Koenraads troonsbestijging. Toen hij tenslotte met kerstmis 1025 bakzeil haalde, heeft hij een paar offers moeten brengen: koningsgunsteling Werner kreeg hij als leengraaf in zuidelijk Hamaland opgedrongen, in Hunsingo-Fivelgo kreeg hij een halfbroer van koningin Gisela in dezelfde functie gedicteerd. Werner heeft zich niet gebrand aan de opstand van Godfried 'met de Baard' en hoefde daarom zijn ambt niet op te geven: hij bleef dus waar hij was. Pas na Werners overlijden kon de grafelijkheid in zuidelijk Hamaland door de 'Flamenses' geclaimd worden. Dat is ook gebeurd, want in 1085 weten we dat ze zich daar intussen hadden kunnen nestelen. In de Hettergouw (en vermoedelijk ook wel Duffelgouw) zat het eigenlijk net zo. Daar moet al vóór 1046 een leengraaf van Godfried 'met de Baard' actief geweest zijn, een zekere Godschalk die ook leengraaf van noordelijk Hamaland was. Godschalk heeft zich net als Werner gedistantieerd van de rebellie van Godfried 'met de Baard' en kon dus ook zijn ambt behouden. Ook daar moesten de 'Flamenses' wachten totdat Godschalk de laatste adem had uitgeblazen. Dat gebeurde in 1063 en in 1067 zien we dan inderdaad een Gerard 'Flamens' als graaf in de Hettergouw. In noordelijk Hamaland ging het wat anders. Ook daar was Godschalk al vóór 1046 leengraaf van 'de Baard' en bleef netjes op zijn plek zitten, maar koning Toen Godschalk in 1063 stierf, was zijn zoon Otto (bijgenaamd 'de Rijke') in dat noordelijk Hamaland opgevolgd. Dat de 'Flamenses' hier niet op het toneel verschenen, had waarschijnlijk zijn oorzaak in het feit dat Godschalk door zijn huwelijk een grootgrondbezitter van betekenis in dat noordelijk Hamaland was geworden. Zijn echtgenote Adelheid was namelijk een achterkleindochter van Godfried 'de Gevangene', via diens dochter Ermgard gehuwd met ene Otto van Hammerstein, hun dochter Mathilde gehuwd met de 'Ezzoon' Ludolf, die samen dan de ouders van Godschalks Adelheid waren. Via dat kanaal kreeg Godschalk het erfgoed in handen van de halfbroer Everhard van Wichman 'van Elten'. Dat was immers via Everhards erfdochter Averarda bij Godfried 'de Gevangene' beland en is langs het geschetste erflatingskanaal bij Adelheid terechtgekomen. Tot dat erfgoed behoorde zeker de burcht Zutphen, maar ook aanzienlijk grondbezit in de omgeving daarvan. Die positie van overwicht in dat noordelijk Hamaland zal er toe geleid hebben dat Godschalk en zijn nazaten zich daar hebben kunnen handhaven. Hun residentie was Zutphen, waarnaar het graafschap geleidelijk genoemd raakte. Nog steeds heet de streek die vroeger noordelijk Hamaland beoosten IJssel vormde, 'de Graafschap' naar het Graafschap Zutphen. De naam Hamaland komt aan het eind van de 11e eeuw voor het laatst in bronnen voor. Bronnen: Wikipedia - Hamaland ; De Graafschap in de Middeleeuwen Gemaakt: 01-01-08 |