5907 |
De emirs van Aleppo (1095 - 1300) |
![]() |
Vanaf 1023 werd de stad door de Arabische Mirdasiden beheerst, tot zij in 1070 door de Turkse Seldjoeken werd ingenomen. Fakhr al-Mulk Radwan (ook Ridwan of Rudwan (1095 - 1113) Na de dood van Tutush (1096) van Damascus besteeg Ridwan de troon van Aleppo. Hij was pas 20 jaar, klein en mager en keek met een strenge blik uit zijn ogen. Radwan gold als wreed, koud en meedogenloos en zou in zijn jeugd al vele misdaden op zijn geweten hebben. Bij zijn troonsbestijging in 1095 zou hij de opdracht hebben gegeven zijn drie jongere broers te vermoorden. Duqaq wist te ontsnappen. Radwan stond onder voogdij van Janah ad-Dawla al-Husain. Zijn schoonvader was de emir van Hamah. Al gauw kwam zijn broer Duqaq tegen hem in opstand en maakte hij zich meester van Damascus. Syrië verviel tot een chaos en anarchie. Duqaq kreeg steun van Yaghi-Siyan van Antiochië, die niets tegen Radwan had, maar wel tegen zijn mentor Janah ad-Dawla al-Husain. |
Emirs van Aleppo | |
Radwan (Ridwan) | 1095-1113 | |
Alp Arslan | 1113-1114 | |
Sultan Shah | 1114-1117 |
Bij hen voegde zich ook Ilghazi, de gouverneur van Jeruzalem. Radwan sloot een verbond met Ilghazi's broer Sokman. Radwan viel Yaghi-Siyan van Atiochië aan en terwijl Duqaq en Ilghazi te hulp kwamen, belegerde Radwan Damascus. Radwan kreeg echter ruzie met zijn mentor Janah ad-Dawla, die de stad Hims had ingenomen. Radwan sloot daarop een verbond met Yaghi-Siyan, dat bezegeld werd door een huwelijk tussen Radwan en de dochter van Yaghi-Siyan's. De twee stonden op het punt Shaizar aan te vallen, toen zij hoorden van de komst van de Kruisridders van de eerste Kruisridders. Alle allianties werdn daarop verbloken en iedereen keerde terug zijn eigen stad. Als de allianties gehandhaafd zouden zijn hadden zij misschien wel de Kruisridders kunnen tegenhouden. In 1103 werd Janah ad-Dawla vermoord door een huurmoordenaar, genaamd al-Hakim al-Munajjim, iemand uit de kring van Radwan. Na de dood van Duqaq in 1104 werd hij in Damascus opgevolgd door twee zwakke heersers en hetzelfde jaar veroverde Radwan de stad. De troon bleef echter staan in Aleppo. In 1105 verleende Radwan ondersteuning bij de verdediging van Tripoli, die werd belegerd door de Kruisvaarders. Hetzelfde jaar werd hij in de slag bij Artah verslagen door Tancred, de prins van Galilea, regent van het prinsdom Antiochië. De kruisvaarders waren glorieus tijdens deze slag, en dreigden Aleppo zelfs in te nemen. Radwan en Tancred voerden veelvuldig strijd totdat Tancred Aleppo in 1111 reduceerde tot een schatplichtige staat. Omdat Radwan niet tegen Tancred ten strijde wilde trekken reisde de qadi (Islamitische rechter) van Aleppo, Ibn al-Khashshab, naar Bagdad voor een ontmoeting met de Abbasiden kalief Al-Mustazhir. Ibn al-Khashshab kreeg gehoor en Mawdud van Mosoel werd met hulptroepen naar Aleppo gestuurd, maar, Radwan was verzette zich tegen zijn Islamitische buurstaten ook als zij hem wilden steunen in de strijd tegen de Kruisvaarders. Mawdud werd kort daarna vermoord door een lid van de Hashshashins, waarschijnlijk met Radwans goedkeuring. |
Volgens een legende verborg Radwan in de kleders van zijn paleis een heksendokter van wie niemand ooi het gezicht had gezien. Er werd gefluisterd dat het de duivel zelf was. In feite was het echter een arts-astroloog, die Radwan onder zijn invloed had. De Hashashins waren een sekte, die hun hoofdzetel hadden in het kasteel Alamut in Perzië. Hun leider was Hassan-as-Sabbah. De Hashshashins gebruikten hashish, en dankten daaraan ook hun naam. Zij waren zeer fanatiek en waren beruchte huurmoordenaars die belangrijke Islamitische heersers uit de weg ruimden. Van de naam Hashshashins is het woord "assasins" (= moordenaars) afgeleid. Radwan stierf op 10 december 1113 en werd opgevolgd door zijn nog minderjarige zoon, Alp Arslan al-Akhras, die onder regentschap werd geplaatst van Lulu en ibn al-Khashshab. Lulu brak moet Radwans politiek gebruik te maken van Hashshashin en liet hen doden of verbannen. Aleppo kon niet meer rekenen op de steun meer van machtige bondgenoten. Er brak een machtscrisis uit en het rijk verviel in chaos. Spoedig kwam het onder de controle van Sulaiman, de zoon van Ilghazi's, die getrouwd was met Radwans dochter. In 1125 werd Ibn al-Khashshab vermoord door de Hashshashin. In 1128 werd het land verenigd met Mosoel (nu een stad in Noord-Irak) dat werd bestuurd door atabeg (gouverneur) Zengi. |
![]() |
Onder Nur ad-Din, de tweede zoon van Zengi, die van 1146–1174 heerste over Syrië, werd Aleppo het centrum van het verzet tegen de christenen. In 1148 beval deze dat elke christen in de stad zou worden gedood. Nur ad-Din versterkte de stadsmuren. Nur ad Din vocht verscheidende keren tegen de kruisvaarders en doodde Raymond van Poitiers op 29 juni 1149. Na zijn dood in 1174 viel Aleppo in handen van de Koerdische heerser Saladin. De dynastie van de Ajjoebiden die hij stichtte regeerde van 1176 tot 1260. |
![]() |
De burcht van Aleppo, die in 1230 op een 50 meter hoge heuvel midden in de stad werd gebouwd, geldt als één van de sterkste burchten ter wereld. De citadel is omgeven door een 20 meter diepe en 30 meter brede greppel. De grote toegangspoort die via een brug bereikt kan worden, werd iets later, in de 16e eeuw gebouwd door de Mamelukken. In de burcht bevinden zich een wapenzaal, een Byzantijnse zaal en de troonzaal. De grote toegangspoort die via een brug bereikt kan worden werd pas later in de 16e eeuw gebouwd door de Mamelukken. In de 14e eeuw werd de burcht ingenomen door de Mongoolse veroveraar Timoer Lenk. In 1260 was het de beurt van de Mongolen om de stad te veroveren en te verwoesten. Van 1260 tot 1516 was het een deel van het Mamelukkenrijk, waarna het werd ingenomen door het Ottomaanse Rijk. In 1400 werd Aleppo ingenomen door de Tataren van Timoer Lenk. Hoewel zijn emirs er niet veel heil in zagen Aleppo nu al aan te vallen - de mannen hadden weinig rust gehad sinds hun expeditie naar India - was Timoer ervan overtuigd dat de stad kon worden veroverd. In de tussentijd verzamelden de Mamelukken vanuit het hele rijk soldaten om de stad te verdedigen, maar hulp van de sultan kwam er niet. Tegen het einde van oktober 1400 hadden de Tataren hun kamp voor Aleppo opgeslagen. Net als in India daagde Timoer ook hier de verdediger uit om buiten de muren slag te leveren, wat uiteindelijk ook gebeurde. De slag die volgde werd redelijk gemakkelijk gewonnen door de Tataren door het gebruik van olifanten die een hele vleugel op de vlucht lieten slaan. Het hele leger van Aleppo rende al snel terug naar de stadspoorten, waar ze werden afgeslacht of onder de voet werden gelopen. Aleppo gaf zich over, waarna er vier dagen lang werd geplunderd en gemoord. |
laatst bewerkt: 12-01-10 |