2843 |
Thracië (500 - 400 v. Chr.) |
![]() |
Vóór of onmiddellijk na de terugtocht van de Perzen uit Thracië in 479 v. Chr. werd dit gebied, dat bewoond werd door de Thyniërs en nog enkele stammen, veroverd door de Odrysische koning ![]() De Geten, die langs de benedenloop van de Donau waren gevestigd, sloten zich bij het koninkrijk van Teres aan, hoewel niet bekend is op welke wijze zij en de Bessen, de westelijke buren van de Odrysen, uiteindelijk werden ingelijfd bij het Odrysische rijk. Over de betrekkingen tussen de afzonderlijk Thracische stammen binnen het koninkrijk van de Odrysen is weinig bekend. Waarschijn plaatste Teres en zijn opvolgers eigen vertrouwde hoofdmannen aan het hoofd van de afzonderlijke Thracische stammen. Met de Scythische koning Ariapeithes sloot Teres een vredesovereenkomst. Aan de Scytische heerser huwelijkte Teres één van zijn dochters uit. |
![]() |
De Odrysen deelden door het tot stand komen van de Eerste Attische Zeebond (478 v.Chr.) hun invloed met Athene, op het ogenblik dat de Griekse stadstaat het hoogtepunt van zijn macht bereikte. Athene schijnt welwillend gestaan te hebben tegenover de vestiging van het koninkrijk der Odrysen. Deze stad beschouwde dit rijk blijkbaar als een sterke bondgenoot voor het geval de Perzen opnieuw zouden trachten naar Europa over te steken. Het koninkrijk van de Odrysen lag langs de kusten van Zee van Marmara en de Zwarte Zee en strekte zich uit tot de benedenloop van de Donau. Gedurende de laatste jaren van Teres' regering reduceerden vele Griekse steden, gelegen tussen de mondingen van de Mesta en de Maritsa, hun tot dusverre betaalde schatting aan de Atheense Zeebond steeds, of hielden zelfs geheel op met het voldoen van hun bijdrage. Men vermoedt dat dit gebeurde omdat zij nu afhankelijk waren van Teres aan wie zij ook belasting moesten betalen. Daarom, en ook om Teres niet tegen te werken, stemden de Atheners ermee in dat de belastingen aan henzelf werden verminderd of zelfs geheel werden gestopt. In 5e en 4e eeuw v. Chr. ontstond er een bloeiende handel tussen het binnenland van Thracië en de stad Cyzicus aan de Zee van Marmara in Klein-Azië, Apollonia aan de Europese kust van de Zwarte Zee en Parium aan de Dardanellen. Alle in Thracië gevonden schatten uit de 5e en 4e eeuw bevatten munten uit deze steden. Door de levendige handel met de Perzen en de Grieken werd Thracië in deze tijd verlost uit het algehele isolement waarin het land in de voorgaande periode had verkeerd. Deze verandering wordt zeer goed door de de Thracische graven geïllustreerd. We vinden daarin veel gouden sieraden, vaatwerk van albast, glas en klassiek Grieks aardewerk. |
Het Odrysische koninkrijk kwam tot grote voorspoed. Volgens Thucydides bedroegen de jaarlijkse inkomsten gedurende de regering van Seuthes l, de troonopvolger van Sitalces, niet minder dan 400 talenten, voldaan in goud en zilver tijdens een periode waarin de belastingen maximaal waren. Thucydi-des voegt eraan toe, dat bovendien nog een even groot bedrag werd ontvangen in de vorm van giften, alsmede grote hoeveelheden gekleurde en ongekleurde geweven stoffen en andere artikelen. Volgens dezelfde auteur wer-den geschenken niet alleen aan de koning aangeboden, maar ook aan de land-voogden en de adel, die regeerden over bepaalde delen van het rijk. Tijdens de regering van
|
Koningen van het Odrysische rijk | ||
![]() |
ca. 479 - 445 v. Chr. | ||
![]() |
445 - 424 v. Chr. | ||
![]() |
424 - 407 v. Chr. | ||
![]() |
407 - 405 v. Chr. |
De Thyniërs die onder het bewind stonden van ![]() ![]() |
laatst bijgewerkt: 14-06-02 |