3606

Scythen (500 - 400 v. Chr.)

Scythen (600 - 500 v. Chr.)

De Scythen, die heersten over het gehele Zuid-Russische steppegebied, waren in de 5e eeuw v. Chr. een macht waar rekening mee gehouden moest worden, ook in economisch opzicht. Zij waren fabelachtig rijk. Zij hieven belasting op alle handelswaar die door hun domein ging op weg naar de Griekse handelskolonies aan de Zwarte Zee. Het Griekse thuisland zelf was afhankelijk van Scythië als voornaamste bron van graan en andere goederen, als zout, honing, huiden, bont en slaven. In ruil daarvoor voorzagen de Grieken  Scythië van sieraden, metaalwerk, kunstvoorwerpen, oliën en wijnen. Behalve dat zij enorme inkomsten oogstten uit de handel van nabuurvolkeren, onderhielden de Scythen een winstgevende handel met verre leveranciers van onbewerkte metalen. Uit de Kaukasus kwam een overvloed aan ijzer, alsmede ook enorme hoeveelheden koper en goud. Uit rijke aders in het Oeral gebergte en uit de bronnen in het Altai gebergte in Centraal Azië kwam tin en nog meer goud. Toch bleven de Scythen met al hun rijkdom voornamelijk leven door, met en voor hun kudden runderen, schapen en paarden. De levende have leverde hen niet alleen voedsel, maar ook leer en wol voor de kleding die zij droegen en zelfs voor hun woningen - tenten van vilt die leken op de ronde yurts die de Mongoolse nomaden nu nog gebruiken. 

Zij maakten het vilt voor hun onderkomens door wol en dierenhaar nat te maken en samen te stampen tot de weefsels met elkaar verbonden raakten en maakten het materiaal dan waterdicht met vet. Tenten van vilt konden even gemakkelijk op de grond worden opgezet als de ruiters hun kamp opsloegen, of op grote wagens om onderdak te geven aan gezinnen op trektocht. Binnen hun steppendomein waren de Scythen bijna voortdurend in beweging, op zoek naar vers gras of naar beschutting tegen de snijdende winterwind. In lange, kronkelende karavanen van door ossen getrokken wagens en wagens met tenten, waarbij de kudden het tempo aangaven, voorafgegaan en geflankeerd door voorrijders, trokken zij door het land met de langzame verandering der seizoenen. Van de vroege lente tot de diep in de herfst trokken zij honderden kilometers over vlakten die slechts werden onderbroken door ondiepe, beboste valleien. Als de winter kwam zochten zij toevlucht in dezelfde dalen. Daar, in kampementen, beschermd door aarden wallen, doorstonden zij de koude maanden in afwachting van het voorjaar. 
[z. verder De Eerste Ruiters. - reeks: Het Ontstaan der Mensheid] 

De Scythen bestonden uit tenminste vier bereden stammen. De sterksten overheersten de beste weidegronden en zorgden voor de leiders in tijd van oorlog. Herodotes noemt de namen van de vier: de Auchatae, de Catiari, de Traspianen en de Paralatae. Hij beschreef ook de Sarmaten, een nomadisch volk dat verwant was aan de Scythen in gewoonten, kunst en taal, die in de steppen ten oosten van de Don woonden en die een beslissende rol zouden spelen in de toekomst van de Scythen. Hoewel de Scythen de schijn van stameenheid gaven als het tot een oorlog met buitenstaanders kwam, vormden zij toch niet helemaal een natie. Wel werden zij verenigd door gewoonten en een gemeenschappelijke taal. Uit de enkele woorden die Herodotes uit deze taal noemt, kon worden opgemaakt dat het hier ging om een dialect van de prehistorische Indo-Europese taal, waaruit de voornaamste talen van de westerse wereld zich hebben ontwikkeld. Een eigen schrift hebben zij nimmer ontwikkeld. De Scythen waren dan ook onderling verbonden mondelinge tradities en niet geschreven wetten. 

± 450 v. Chr. bezocht Herodotus de Griekse handelskolonie Olbia om gegevens te verzamelen over de Scythen.

Scythen (400 v. Chr - 100 n. Chr.)

laatst bijgewerkt: 14-06-02

colofon