2785

Griekenland (400 - 334 v. Chr.)

Griekenland (500 - 400 v. Chr.)

Na afloop van de Peloponnesische oorlog kwamen beide partijen zo verzwakt uit de strijd, dat zij geen van beide ooit nog hun vroegere grootheid konden terugwinnen.

In 399 v. Chr. hervatte Sparta onder Agesilaos ll (401 - 460 v. Chr.) de oorlog tegen Perzië ter bevrijding van de Ionische steden. De oorlog verliep voor hem voorspoedig, maar hij moest terugkeren toen Sparta werd bedreigd door Athene, Corinthe en Thebe.

Koningen van Sparta
Agesilaos ll  401 - 360
Archidamus lll 360 - 338
Agis lll 338 - 330
Corinthische Oorlog (395 - 387)

In 395 brak de Corinthische Oorlog uit tussen Sparta en de vier geallieerde staten, Thebe, Athene, Corinthe en Argos, die in het begin werden gesteund door Perzië waartegen Sparta oorlog voerde. De onmiddellijke aanleiding van de oorlog was een lokaal conflict in het noordwesten van Griekenland, waarin zowel Thebe als Sparta tussenbeide kwamen. De oorlog werd op twee fronten uitgevochten, aan land nabij Corinthe en Thebe en op zee in de Egeïsche Zee. Aan land behaalden de Spartanen al vroeg meerdere overwinningen in belangrijke veldslagen, maar ze waren niet in staat om te profiteren van hun voordeel, en de gevechten kwamen al snel tot een impasse. Op zee werd de Spartaanse vloot al vroeg beslissend verslagen door een Perzische vloot onder bevel van de Athener Conon in de zeeslag bij Knidos (394).

Deze nederlaag betekende een definitief einde van Spartaanse pogingen om een vloot op te bouwen. Gebruik makend van dit voordeel voerde Athene verschillende zeecampagnes in latere jaren van de oorlog, om zo enkele eilanden te veroveren die oorspronkelijk in de 5e eeuw tot het Atheense Rijk behoorden. Opgeschrikt door deze Atheense successen verplaatsen de Perzen hun steun van de alliantie naar Sparta. Hetzelfde jaar (394) versloeg Agesilaos ll van Sparta de coalitie bij met Perzische hulp bij Koroneia (Coronea). Deze afvalligheid dwong de alliantie tot vredesbesprekingen. Door bemiddeling van de Perzische koning Artaxerxes (Artachsjathra) ll kwam het in 387 v. tot een vrede tussen Sparta en en Athene (Koningsvrede, vrede van Antalkidas). De Griekse steden in Klein-Azië kwamen onder Perzisch gezag; de overige Griekse steden kregen autonomie, onder toezicht van Sparta. Dit in veler ogen voor Athene beschamende verdrag bepaalde dat Perzië de controle kreeg over heel Ionië en dat alle andere Griekse steden onafhankelijk zouden zijn. Sparta zou de bewaker van deze vrede zijn, met de bevoegdheid om de clausules af te dwingen. Het effect van de oorlog was dat Perzië zich met succes kon mengen in Griekse interne politiek en de bevestiging van Sparta's hegemonie in het Griekse politieke systeem. Het vredesverdrag was misschien wel pijnlijk voor de eigendunk van vele Grieken, maar toch hadden de meesten onder hen zich reeds lang verzoend met de gedachte dat het toch verloren stellingen waren en dat men zich geen nieuwe slopende oorlog kon veroorloven voor het behoud van enkele geïsoleerde steden. Voor die steden zelf was het Perzische bewind trouwens heel draaglijk, onder meer omdat zij een grote administratieve vrijheid behielden, doordat zij zich héél ver van het Perzische rijkscentrum bevonden.

Athene deed pogingen tot vernieuwing van de Zeebond en herbouw van de vesting Athene-Pireaus. De Spartanen sloten daarop met de Perzen een overeenkomst om de Bosporus af te sluiten teneinde de graanaanvoer vanuit Zuid-Rusland af te snijden.

Athene (405 - 338)

Nadat de Atheense vloot in 405 door de Spartaanse admiraal Lysandros bij de Hellespont was verslagen, had Athene zich moeten overgeven, werd de Attisch- Delische Zeebond opgeheven en moesten de vestingwerken en de Lange Muren worden afgebroken. Athene was gekortwiekt; Sparta had de hegemonie overgenomen. Er volgden moeilijke jaren voor Athene, dat zich van deze nederlaag nooit meer volledig heeft kunnen herstellen.

In 378 v. Chr. werd de Tweede Delisch-Attische Zeebond opgericht, die aanvankelijk tegen Sparta was gericht. Hij was minder uitgebreid dan de eerste Delische Attische Bond en gaf meer rechten aan de bondgenoten van Athene. Door de steeds toenemende dominantie van Athene in de bond kwamen Byzantium en de eilandstaten Chios, Rhodos en Cos in opstand, gesteund door koning Mausolus van Carië. De Atheense generaals Chares en Chabrias kregen het bevel over de Atheense vloot. 

Bondgenotenoorlog

In de zomer van 357 v.Chr. werd de vloot van Chabrias verslagen en hij werd gedood in de aanval op het eiland Chios. Hierna kreeg Chares het opperbevel over de Atheense vloot. Chares trok zich terug naar de Hellespont voor een operatie tegen Byzantium. De generaals Timotheus, Iphicrates en zijn zoon Menestheus werden te hulp gestuurd voor de naderende zeeslag tegen de in het zich liggende vloot op de Hellespont. Timotheus en Iphicrates weigerden aan te vallen tijdens een hevige storm, maar Chares viel  wel aan en verloor vele van zijn schepen. Timotheus en Iphicrates werden door Chares beschuldigd en er werd een rechtszaak tegen ze aangespannen. Timotheus werd veroordeeld tot het betalen van een boete, maar wist te ontsnappen. In 356 v.Chr. verwoesten de rebellerende bondgenoten de eilanden Lemnos en Imbros, die trouw aan Athene waren gebleven. Ze belegerden ook Samos dat slecht werd verdedigd. Chares had het bevel over de Atheense vloot en liep in de slag bij Embata een beslissende nederlaag op. Philippus II van Macedonië zag de oorlog tussen de bondgenoten als een mooie gelegenheid om zijn invloed in Griekenland uit te breiden. In 357 v.Chr. veroverde hij Amphipolis in het noorden van Griekenland, een depot en toegang voor zowel de goud- en zilvermijnen uit de Pangaeusberg als voor het hout. Dit verzekerde de economische en politieke toekomst van Macedonië. In het geheim bood hij Amphipolis aan Athene in ruil voor de waardevolle haven Pydna, maar toen zij overeenkwamen werden zowel Pydna als Potidaea veroverd tijdens de winter en bezet; Amphipolis gaf zichzelf niet over. Philippus II veroverde ook de steden Crenides op de Odrysae en hij hernoemde de stad Philippi.

Olynthus, de leidende stadsstaat van de Chalcidische Bond was een bondgenoot geweest van Philippus totdat ze zijn toenemende macht begonnen te vrezen. Ondanks talrijke pogingen van Philippus om de alliantie te behouden, waaronder de schenking van de stad Potidaea, werd Olynthus bondgenoot van Athene. In 349 v.Chr. belegerde Philippus de stad en hij verwoeste haar tot de grond. Daarna onderwierp hij de andere steden van de Chalcidische bond.

Chares was door de oorlog in geldnood geraakt maar weigerde er in Athene om te vragen, daarom trad hij, gedeeltelijk gedwongen door zijn huurlingen, in dienst van de rebellerende Perzische stad Atrabazus. De Atheners keurden deze collaboratie eerst goed maar daarna bevalen ze hem om hiermee op te houden wegens klachten van de Perzische koning Artaxerxes III Ochus en uit vrees voor Perzische hulp aan de rebellerende steden. Als een gevolg van de toenemende operaties van Athene vlakbij het Perzische rijk vroeg Perzië Athene in 356 v.Chr. om Klein-Azië te verlaten, met de waarschuwing dat er anders een oorlog zou uitbreken. In 355 v.Chr. trok Athene, dat niet gereed was voor nog een oorlog, zich terug en erkende de onafhankelijkheid van de rebellerende steden. In plaats van Chares constante oorlog kwam er vrede onder Eubulus. De financiële middelen die overgebleven waren van de oorlog werden in een fonds voor publiek vermaak geïnvesteerd.

In de Bondgenotenoorlog van 357-355 v.Chr. verloor de bond zijn betekenis door de afvalligheid van de voornaamste bondgenoten. In 338 v.Chr. werd de bond uiteindelijk na de slag bij Chaironeia opgeheven.

In 366 v. Chr. werd de Peloponnesische Bond definitief ontbonden.

In augustus 338 behaalden Philippus II van Macedonië en zijn zoon Alexander in de slag bij Chaeronea in het noordwesten van Boeotië een eclatante overwinning op het Griekse efficiënt bewapende en goed georganiseerde coalitieleger onder bevel van Chares van Athene bestaande uit Thebanen, Atheners en soldaten uit Euboea, Megara, Korinthe, Achaea, Acarnanië en Corcyra (Korfoe). Meer dan duizend Atheners werden gedood in de hevige en langdurige strijd waarbij niet minder dan tweeduizend Atheners werden gevangen genomen. Ook werden veel van de Boeotiërs gedood en gevangengenomen.

Van 338 tot 327 v.Chr. beheerde de Atheense politicus, jurist en redenaar Lycurgus  met grote bekwaamheid de Atheense financiën. Volgens zijn biografen was zijn integriteit zo groot, dat zelfs privépersonen hem hun geld toevertrouwden als dit oordeelkundig beheerd moest worden. Hij liet o.m. de Atheense vloot versterken en verhoogde de interne veiligheid in de stad. Met spreekwoordelijke strengheid waakte hij over het gedrag van zijn medeburgers: zelfs zijn eigen vrouw werd zwaar beboet na een verkeersovertreding. Hij hield van mooie dingen, verfraaide de stad met allerlei openbare gebouwen. 


De overwinning van Ageselilaos ll van Sparta werd teniet gedaan door de opmars van Epameinondas. Agesilaos wist de stad Sparta te behouden (370 en 362), maar kon het verlies van Messenië niet verhinderen. Ter verbetering van de staatsfinanciën diende hij in Egypte tegen de Perzen (361). Op de terugreis naar Sparta kwam hij om in een storm.

In de 4e eeuw v.Chr. werd Phocis (Centraal Griekenland) voortdurend bedreigd door zijn Boeotische buren. Phocis hielp zijn Spartaanse bondgenoten bij een invasie van Boeotië tijdens de zogenaamde Korinthische Oorlog (395 - 394 v. Chr.), maar stond nadien in het defensief. In 380 kregen de Phociërs tevergeefs steun van Sparta, maar bezweken uiteindelijk toch voor de Thebaanse overmacht. Een Phocische troepenmacht moest daarna onder dwang deelnemen aan de campagnes van Epaminondas in de Peloponnesus, maar streden niet in de (Tweede) Slag bij Mantinea (362), waar zij werden buiten gehouden. Als reactie op deze vernedering lokten de Phociërs vervolgens de Derde Heilige Oorlog uit, 

Derde Heilige Oorlog

De Phociërs waren begonnen waren voor eigen rekening de akkers te bebouwen die aan het heiligdom van Delphi toebehoorden. Om dit onrecht te wreken riep de Delphische Amphictionie (bondgenootschap) de hulp in van Thebe. Zo brak in de nazomer van 355 de Derde Heilige Oorlog uit. Phocis kon aanvankelijk rekenen op de hulp van Athene, Sparta en Achaea en wierf met geld uit de tempelschat "geleend", hulptroepen tegen Thebe en zijn bondgenoten. Onder de bezielende leiding van twee bekwame legeraanvoerders, Philomenus en Onomarchus hadden zij aanvankelijk succes en slaagden de Phociërs erin, door te dringen in Boeotisch en Thessalisch grondgebied, waarop Thebe en Thessalië op hun beurt een beroep deden op Philippus II van Macedonië. Deze toonde zich maar al te bereid, want hij zag in deze interventie de lang verwachte gelegenheid om zich met de zaken van Midden-Griekenland te gaan bemoeien. Uiteindelijk moesten de Phociërs zich in 346 v.Chr. aan Philippus overleveren: ze moesten een bezetting dulden en een zware boete betalen. Hierdoor kreeg Macedonië, dat slechts eigenbelang nastreefde, eindelijk vaste voet in Midden-Griekenland. Dat was het begin van het einde voor de autonomie van de Griekse stadstaten.

 

Na zijn successen op de Balkan viel Philippus van Macedonië Griekenland binnen en nam het bestuur in dit gebied over. Na zijn dood (366) kwam Thebe in opstand, die door Alexander de Grote werd onderdrukt. In tien jaar tijd (334-323) veroverde hij het Perzische rijk en breidde hij de Griekse overheersing uit tot aan het noordwesten van India. 

Archidamus III van Sparta (360 - 338)

Agesilaos ll
van Sparta werd na zijn dood in 360 opgevolgd door zijn zoon
Archidamus III. Zijn eerste militaire ervaringen had hij opgedaan in 367 en 364 v.Chr., in de strijd tegen tegen Arcadië, nadat hij eerst nog een minder belangrijke rol had gespeeld in de slag bij Leuctra in 371 v.Chr. Na deze nederlaag leidde hij het verslagen Spartaanse leger naar huis terug. In de slag van Mantinea in 362 onderscheidde hij zich tijdens de verdediging van het Spartaanse leger tegen Epaminondas. Daarna steunde hij Phocis in de Heilige oorlog (347-346 v.Chr.). In 338 v.Chr. steunde hij Tarentum tegen de Lucaniërs. Hij sneuvelde nog datzelfde jaar in de Slag van Mauduria.

Agis lll van Sparta (338 - 330)

Na de nederlaag van de Griekse coalitie bij Chaeronea in 338 tegen Philippus II van Macedonië, nam Agis III de organisatie van het verzet der Griekse stadstaten tegen Macedonië verder op zich, vooral tijdens de expeditie van Alexander de Grote in Perzië. Met financiële steun van Perzië verzamelde hij een leger huurlingen, die na de slag bij Issus (333) kwamen toegestroomd, en daarmee voerde hij met succes een strijd, eerst op Kreta, daarna in de Peloponnesos, waar hij van enkele staten hulp kreeg. Athene, onder de morele leiding van Demosthenes, hield zich afzijdig, evenals Megalopolis, Messenië en Argos. Na de overwinning op Megalopolis werd hij geconfronteerd met de veel grotere overmacht van Antipater. Toen Agis III hierbij sneuvelde, betekende zijn dood het absolute einde van het gewapende verzet van Griekenland tegen Alexander de Grote.

Hellenistische rijken (323-31 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 16-6-02

colofon