49

Carboon (363 - 290 miljoen jaar geleden)

570 560 540 530 520 510 500 490 480 470 460 450 440 430 420 410 400 390 380
370 360 350 340 330 320 310 300 290 280 270 260 250 240 230 220 210 200 190
180 170 160 150 140 130 120 110 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10
Paleozoïcum Devoon (409-363 miljoen jaar geleden)

Klik hier voor het frame van de pagina

Het tijdvak 350 - 280 miljoen jaar geleden wordt Carboon genoemd. De naam van dit vijfde tijdvak van het Paleozoïcum,  is afgeleid van het Latijnse woord voor steenkool: carboniferous. Steenkool is ontstaan uit de dikke lagen veen die tijdens de laatste 33 miljoen jaar van het Carboon gevormd zijn. Deze veenlagen ontstonden in de uitgestrekte tropische moerassen in de rivierdelta's, kustvlakten en moerassige bergdalen.

De steenkoolafzettingen komen voor door heel noordelijk Europa, Azië en het midwesten en oosten van Noord-Amerika. Deze lagen zijn soms elf tot twaalf meter dik. De naam Carboon wordt door de gehele wereld gebruikt om deze periode te beschrijven, alhoewel deze in Noord-Amerika is onderverdeeld in het Mississippian (Vroeg Carboon) en Pensylvanian (Laat Carboon). De grens tussen het Vroeg en Laat is lager dan die van het Mississippian en het Pensylvanian in Noord-Amerika.

Grafische voorstelling van de laatste 570 miljoen jaar. 1 Cambrium
2 Ordovicium
3 Siluur
4 Devoon
5 Carboon
6 Perm
7 Tertiair
8 Kwartair
Het Carboon kende aanvankelijk een warme periode. Overal op Aarde heerste een tropisch, broeierig klimaat, wat de vegetatie zeer ten goede kwam. Zelfs in de Poolstreken ontstonden uitgestrekte bossen De oorzaak van dit tropische klimaat was zeer waarschijnlijk gelegen in het feit dat de dampkring een zeer hoog koolzuur bevatte. Koolzuur bezit namelijk de eigenschap, evenals het glas van een broeikas, de zonnewarmte gevangen te houden. Het hoge gehalte van koolzuur en waterdamp in de lucht en daarnaast het warme klimaat waren de oorzaak voor de snelle groei van reusachtige varens die door de voortplanting van hun sporen uitgestrekte bossen vormden. (z, Bomen en planten in het Carboon

Later vond er een sterke afkoeling plaats, waardoor de ijskap op de Zuidpool groeide en de zeespiegel verder en verder zakte. Tegen het eind van het Carboon waren alle oceanen die bij het uiteenvallen van het continent Pannotia in het Cambrium waren ontstaan, verdwenen. 

Rond het eind van het Carboon was de uitgestrekte Centrale Pangeaanse Bergrug gevormd, samen met een hoogvlakte. Door deze bergrug werden de vochtige equatoriale winden tegengehouden waardoor het klimaat droger en droger werd. Rond de Evenaar - waar het klimaat warm en vochtig was, ontstonden uitgestrekte moerassen. Seizoenen bestonden niet omdat de enorme Panthalassic Oceaan het grootste deel van de Aarde bedekte en daarmee de temperatuur grotendeels regelde. Door de lage zeespiegel stonden grote delen van het land met elkaar in verbinding, waardoor de flora en fauna zich konden verspreiden. Er ontstond een enorme variëteit aan leven. Bossen bedekten grote delen en moerassen waren talrijk. Bomen en Planten in het Carboon. Op de moerassige bodem moeten talloze diersoorten hebben geleefd, zoals schorpioenen, spinnen, duizendpoten, sprinkhanen, krekels, kakkerlakken en slakken.

Boven: Carboon (bron: Natuurhistorisch Museum Maastricht)
De insecten veroverden ook het luchtruim. In de lucht verschenen Libellen, Waterjuffers en talrijke andere insecten. Vooral in barnsteen, wat niets anders is dan de versteende hars van bomen, zijn veel insecten en afdrukken van voorhistorische dieren bewaard gebleven.

Rechts: De Meganeuropteris, de Reuzenlibelle, behoorde tot de grote insecten die ontstonden tijdens het Carboon.

Aan land vertoonden zich ook steeds meer Amfibieën, want door de enorme bebossing werd de lucht steeds beter voor longademhaling geschikt. Het aantal  soorten nam sterk toe en uit de Labyrinthodontia (Stegocephalia), die behoren tot de oudste amfibieën, ontwikkelden zich de voorouders van de reptielen: de Cotylosauria of Stamreptielen en de Synapsiden, de verre voorouders van de latere zoogdieren.

De lichamelijke verschillen tussen deze primitieve reptielen en amfibieën  waren in die tijd niet zo groot en zijn dan ook zeer moeilijk van elkaar te onderscheiden. Eén van de grootste evolutionaire vernieuwingen gedurende het Carboon was het amniote ei, een ei met een sterke leerachtige schaal, zoadat zij goed waren beschermd en niet meer in water hoefden te worden gelegd. Het embryo in dit amniote ei is in het bezit van vruchtvliezen (amnion en chorion) en een allantoïs, (blind eindigende uitstulping aan de voorzijde van een verwijding van de einddarm van het embryo) in tegenstelling tot de eieren van de amfibieën en vissen. Dit amniote ei maakte het de voorouders van de vogels, zoogdieren en latere reptielen mogelijk zich te reproduceren op het land doordat het ei niet uitdroogde.

De Sauropsida ontwikkelden zich tot  twee orden: de Anapsiden en de Diapsiden.

De eerste en tegelijkertijd ook primitiefste Diapsiden behoorden tot de orde Areoscelida.. Het waren kleine hagedissen die liepen op relatief dunne renpoten en bezaten een vrij lange nek. Zij waren de voorouders van de latere Eosuchia
Naast de hagedisachtige reptielen ontstonden ook meer krokodilachtige vormen: de Archosauromorphen.

Links: Een primitief reptiel springt op om een insect te vangen in het Carboonbos, ca. 350 miljoen jaar geleden. 

De graptolieten stierven uit. Tijdens het Carboon nam ook het aantal soorten Beenvissen enorm toe.

Aan het eind van het Carboon trokken de gletsjers zich terug en steeg de waterspiegel waardoor grote delen land weer overstroomden.

Websites

  • Carboon: de eerste reptielen (Museumkennis)

Perm (290 - 245 miljoen jaar geleden

laatst bijgewerkt: 21-11-02

colofon