5301 Italië (774 - 855)
Longobardische Rijk (600-774)
Karel de Grote (Carlomagno) (774 - 814), liet zich na de onderwerping van de Longobarden in 774 met de ijzeren kroon (Corona Ferrea) tot hun koning kronen. 

In het zuiden van Italië behielden de Longobarden nog enige bezittingen. Toen Desiderius, de laatste Longobardische koning, door Karel de Grote was verslagen en Karel zich tot koning van de Longobarden had laten kronen (774), riep de heerser over het Longobardische hertogdom Benevento, hertog Arichis ll (758-787), zichzelf ondanks Karels dreigementen, onmiddellijk uit tot prins (princeps) over het hele Longobardische volk, daarmee aanspraak makend op de koningszetel. Eerst toen Karel in 787 een invasie voorbereidde beloofde hij onderwerping en afstand te doen van de titel princeps. 

Zeer kort daarop overleed Arichis. Zijn zoon Grimoald lll, gegijzeld door de Franken, werd in 788 door Karel de Grote als wettig opvolger aangewezen op voorwaarde dat hij Karel als soeverein erkende en zichzelf als diens vazal. Hij werd verplicht Karels naam op charters en munten aan te brengen een jaarlijks een retributie van 7000 soldi af te dragen. Formeel waren de Franken ook in Benevento de baas maar het lukte hun niet in dat verre zuiden hun gezag blijvend te vestigen, en dus bleef Benevento als vorstendom bestaan. Het viel in de 9e eeuw wel uiteen in drie vorstendommen: Benevento (Molise en het grootste deel van Apulië), Salerno en Capua.

In de kerstnacht van het jaar 800 kroonde paus Leo III Karel  tot keizer van wat het "Heilige Roomse Rijk" genoemd zou gaan worden - dat was het Frankische rijk uitgebreid met het koninkrijk Italië en de Kerkelijke Staat. Waarschijnlijk deed de paus dit om zich te verzekeren van de Frankische steun bij de verdediging van Rome en de kerk in het algemeen; maar het beeld kon gemakkelijk ontstaan dat de paus met dit gebaar het opperste gezag van de keizer erkende.

Lodewijk de Vrome (Ludovico il Pio) (816-840)

De opvolger van Karel de Grote, zijn zoon Lodewijk de Vrome reisde in 816 naar Rome reizen om zich door de paus tot keizer te laten kronen. Dat was het begin van een traditie waarin de pausen graag de erkenning zagen dat hun geestelijke opperheerschappij superieur was aan de wereldlijke opperheerschappij van de keizers: je kon immers wel paus worden zonder de keizer maar geen keizer zonder de paus.

In 817 werd Lodewijk de Vrome door de Rijksdag in Aken tot medekeizer en toekomstig opvolger van zijn vader gekozen. De twee jongere zonen van Lodewijk de Vrome, Pippijn (* ca. 803-838) en Lodewijk (ca. 806 - 876), kregen koninkrijken, maar stonden onder Lotharius.  De 14 jaar oude Pippijn  werd koning van Aquitanië. De  11-jarige Lodewijk werd koning van Beieren, vandaar zijn latere bijnaam "de Duitser". Pippijn en Lodewijk waren feitelijk onderkoningen en ondergeschikt aan hun oudere broer. Deze regeling viel dan ook niet bij iedereen in goede aarde. Bernard, de oudste  zoon van Pippijn en koning van de Italiaanse provincies, kwam in opstand, maar werd verslagen. Lotharius kreeg zo Italië erbij. Het Frankische rijk werd er niet overzichtelijker op!

Invallen van de Saracenen

Intussen werd de dreiging van de Saracenen steeds groter. Sommige Longobardische vorsten probeerden gemene zaak te maken met de Arabieren om hen zo tegen hun eigen vijanden te kunnen gebruiken maar uiteindelijk bleef niemand gespaard voor de Arabische aanvallen. De Longobardische vorsten moesten steeds weer gebied prijsgeven. Ook de Franken, de pauselijke troepen en de Byzantijnen streden tegen de Arabieren in Zuid Italië, maar zij konden niet voorkomen dat Sicilië en delen van Zuid-Italië werden ingenomen

Ontstaan van burchtstadjes

Noord-Italië had in de tijd van de Saraceense aanvallen ook te lijden van de plundertochten van de Magyaren (een aan de Hunnen verwant steppenvolk) en van de aanvallen van Dalmatische zeerovers.

Om niet om de haverklap te worden verjaagd of weerloos te worden afgeslacht door piraten of plunderende bendes, trokken de bewoners van de dalen en de kustgebieden naar plaatsen die moeilijk toegankelijk waren en waar de natuurlijke omstandigheden hun bescherming boden. Dat was bijna altijd op een hoogte. Uit deze vestigingen, castelli kwamen tal van dorpen voort. In de 9e en 10e eeuw kwam het tot een begin van stedelijk leven en tot onderlinge handel. De wegen werden hersteld en grote landgoederen werden opgedeeld in kleinere stukken, podere, die bebouwd werden door pachters, mezzadri. Ze bewerkten het land voor de helft van de opbrengst

Anticoli Corrado, het burchtstadje is al tientallen jaren zeer in trek bij kunstenaars.

In de meeste gevallen bouwden eerst de heren op de meest strategische en best verdedigbare plaatsen hun versterkte woonhuizen of kastelen. Daarna volgden de boeren, die hun huisjes van hout en leem in de nabijheid van het kasteel van hun heer opgetrokken. De heer kon hun dan veiligheid bieden. Hiermee werd de ontwikkeling in gang gezet die zou leiden tot de karakteristieke vorm van de Italiaanse burchtstadjes: de twee-eenheid van dorp en kasteel met een gezamenlijke verdediging. De eerste castelli waren van hout maar in de twaalfde eeuw verschenen de stenen kastelen en werden de dorpen opgenomen in het verdedigingssysteem dat bij het kasteel hoorde. Het fortificeren beperkte zich niet tot kastelen en stadjes. Ook kloosters, bruggen, herenboerderijen antieke bouwsels werden voorzien van verdedigingswerken.

De laagvlakten langs de kust raakten ontvolkt en werden verwaarloosd waardoor moerassige gebieden ontstonden (zoals de 'Maremme Toscane'). De malariamug voelde zich daar uitstekend thuis maar de mensen werden er ziek. Omdat zij dachten dat de ziekte werd veroorzaakt door de slechte lucht noemde zij die ook zo: mal(=slecht)-aria (=lucht). De malaria heeft de bergbewoners er tot ver in de twintigste eeuw van weerhouden de vruchtbare kuststrook weer in gebruik te nemen.

Italië (855 - 896)

Gemaakt: 20-06-04; laatst gewijzigd: 14-07-05

colofon