2703 Het rijk van de Longobarden (555 - 600)
  Ostrogotische Rijk (541 - 555); Longobarden (500 - 555); Byzantijnse Rijk (527 - 602)

De belastingen onder het Byzantijnse bewind bleven hoog. Geteisterd door de jarenlange oorlog, door pestepidemieën, overstromingen, hongersnoden en aardbevingen, was de plattelandsbevolking volkomen ontredderd.

Heersers van de Longobarden

Audoin (Auduin, Audwin) 545 / 546 - 558/560
Alboin (Albuin; Albin) 558/560 - 572
Klef (Kleph) 572 - 575
Authari 584-590
Agilulf 590-615/616

In 567 vernietigden de Longobarden samen met de Avaren het rijk der Gepiden, maar in hetzelfde jaar nog werden de Longobarden door de Avaren uit de Doanau-vallei verdreven en in 568 trokken zij onder hun koning Alboïn Italië binnen. 

Alboin (Albuin; Albin) (558 of 560 - 572)

Deze (voorlopig laatste) inval in Italië door de Longobarden onder Alboïn in 568, kon de situatie onmogelijk meer verslechteren. De Longobarden wisten ongeveer de helft van het Italiaanse grondgebied op de Byzantijnen te veroveren. Dat grondgebied verdeelden zij in hertogdommen. Uiteindelijk waren dat er zesendertig.

In de jaren daarna veroverden zij verscheidene steden in Noord-Italië in het dal van de Po (waaronder de belangrijke stad Pavia in 572) op de Byzantijnen en bereikten Midden-Italië, 17 jaar na de ondergang van het Ostrogotische rijk in 555. Pavia in de de streek die naar hen Lombardije is genoemd, werd hun hoofdstad. Daar werden hun aanvoerders tot koning gekroond. 

Net als de meeste andere Germanen waren de Longobarden Arianen. Zij vielen bezittingen van de Kerk aan en vervingen Katholieke priesters door Ariaanse priesters - en dat terwijl de Kerk zo'n beetje het enige was dat de Romeinse bevolking nog houvast bood. Hun gewoontes verraadden hun nomadische oorsprong. Ze fokten paarden, varkens, runderen en schapen, maar beoefenden een primitief soort landbouw. Hun bouwwerken zijn samenraapsel van gesloopte Romeinse gebouwen met hier en daar een decoratie van Germaans bandvlechtwerk. Veel schrijven deden de Longobarden niet. Er is geen enkel geschrift bekend van vóór het edict van Rotarius, het eerste wetboek van de Longobarden, dat dateert uit 643.

In het midden en noorden van Italië waren de grote domeinen in deze periode ingericht volgens het systeem van de curtis. De curtis (bij ons vroonhoeve genoemd) was een landbouwbedrijf waarin de coloni (horigen) aan hun heer een deel van de opbrengst moesten afstaan van het land dat zij voor zichzelf bewerkten, maar ook het land van de heer moesten bewerken. De curtis was vergelijkbaar met de antieke villa. Er waren vaak ook slaven die in het huis van de heer en op zijn land werkten, maar de heer van de curtis was nauwelijks afhankelijk van slavenarbeid voor de exploitatie van zijn eigen grond omdat zijn coloni - die pachter waren als ze hun eigen grond bewerkten - de rol van slaaf vervulden als zij op zijn grond werkten. De diensten die de coloni moesten leveren aan de heer (de corvees of herendiensten) bestonden dus meestal uit akkerwerk; maar omdat het door de teruglopende handel noodzakelijk werd dat de curtes in hun eigen behoeften konden voorzien, waren er ook coloni die ambachtelijke bezigheden hadden. Er was behoefte aan een bakker, een smid, een timmerman enz. De vrouwen werden ingezet om stoffen en kleding te vervaardigen. De boeren moesten behalve deze diensten ook pachten in natura en soms in geld opbrengen. Daarbij kwam sinds de achtste eeuw in veel streken de verplichting om een tiende deel van de oogst en het nieuwgeboren vee aan de kerk af te staan (de zgn. tienden). De coloni behoorden bij het landgoed: als het landgoed van eigenaar veranderde, veranderden ook de coloni van eigenaar. De vrije boeren leefden bij elkaar in dorpen. Zo'n dorp werd aangeduid met de term vicus, locus of casalium (italiaans: vico, loco of casale). De boerderijen waren klein maar grotendeels zelfverzorgend.

Omdat de officiële kerk niet in staat was kerken op te richten voor de plattelandsbevolking, waren het dikwijls lokale heren die dat deden. Ze stelden daarvoor de grond en de middelen beschikbaar. De heren bleven eigenaar van de kerk en behielden zich het recht voor om de pastoors aan te stellen. Het zal best voorgekomen zijn dat deze heren handelden uit betrokkenheid bij de boeren; maar motieven als de behoefte aan sociale legitimering, invloed en prestige liggen meer voor de hand. Het risico dat de heren hun macht misbruikten was dan ook groot.

Rechts: Ingang van een eenvoudige, vroeg-middeleeuwse plattelandskerk (Pieve)

Niettemin was de kerk in die tijd het enige instituut dat voor sociale samenhang kon zorgen. Men werd er gedoopt, men ging er naar de mis, men ontmoette er elkaar en men begroef er zijn doden.

De plattelandskerken heten in het Italiaans pievi, een naam die is afgeleid van het Latijnse plebs, wat 'volk' betekent. Ze werden gebouwd langs belangrijke verbindingswegen (al waren dat vaak niet meer dan muildierpaden). De pievi vervulden een belangrijke rol als ankerpunt voor dat deel van de bevolking dat - al dan niet vrijwillig - op drift was geraakt. In Italië waren deze pievi - samen met de kastelen waar we het later over zullen hebben - de belangrijkste kristallisatiekernen voor dorpen en steden. Honderden dorpen en steden met de naam van een heilige zijn rond een kerk ontstaan en tientallen plaatsnamen of namen van een buurtschap beginnen met 'Pieve'.

De Byzantijnse stadhouder in Italië kon hun geen tegenstand bieden, want het rijk had veel van de talrijke oorlogen tegen de Perzen, Slaven en andere volkeren te lijden gehad. De Longobarden gedroegen zich heel anders dan de Ostrogoten. Alboin had niets van Theoderiks eerbied voor een hoge, oude beschaving en aan het gezag van de Byzantijnse keizer stoorde hij zich niet. "Als een uit de schede getrokken zwaard", schrijft Gregorius de Grote, "vielen deze wilde scharen over ons, en overal zonken de mensen neer als afgemaaide aren. Steden werden ontvolkt, burchten verwoest, kerken verbrand, monniken en nonnenkloosters met de grond gelijk gemaakt. Akkers werden vernield en het land treurt in zijn verlatenheid, daar er niemand is die het bebouwt.

Deze beschrijving van het optreden van de Longobarden moge niet vrij zijn van overdrijving, een feit is, dat de bevolking van Italië in hen harde meesters kreeg. Mettertijd nam het geweld van de storm af en werden de indringers geromaniseerd.

De geschiedenis van de Longobardenvorst Alboin is vol gruwelen. Vier jaar nadat hij Italië in bezit had genomen, werd hij vermoord, volgens de overlevering op aanstichten van zijn vrouw, de schone koningsdochter Rosamunde. Alboin had vóór zijn tocht naar Italië haar vader overwonnen en haar vervolgens gedwongen zijn vrouw te worden. Bij een feestmaal zou hij in dronken toestand Rosamunde bevolen hebben uit een schedel te drinken, die hij volgens oeroude barbaarse zede, van de schedel van een overwonnene, in dit geval haar vader, had laten maken door die in goud te laten vatten. Op dat ogenblik zou Rosamunde zijn dood hebben gezworen.

Na de dood van Alboïn drongen de Longobarden onder leiding van oorlogszuchtige aanvoerders verder naar het zuiden. De sterke Byzantijnse vestingen konden zij echter niet innemen. Ravenna bleef keizerlijk bezit, evenals de hertogdommen Rome en Napels, Istrië, Sicilië, Calabrië (de teen) en Apulië (de laars) bleven Byzantijns bezit. Omstreeks 650 werden de veroveringen in Italië afgesloten. In Noord-Italië ontstond het Longobardische koninkrijk met als hoofdstad Pavia. In Midden-Italië stichtten de Longobarden het markgraafschap Tuscië (hoofdstad Florence) en het vrijwel zelfstandige hertogdom Spoleto. In Zuid-Italië het eveneens vrijwel onafhankelijke hertogdom Benevento

Het is de hertogen van Spoleto en Benevento nooit geheel gelukt zich geheel los te maken van het Longobardische rijk. Rome, het noordoosten met Ravenna, Napels en het uiterste zuiden bleven Byzantijns.

In de 6e eeuw onderwierpen de Longobarden de Heruli, die zich in het noorden van Neder-Oostenrijk hadden gevestigd en in 566 de Gepiden.

Voor keizer Justinianus van het Byzantijnse Rijk en de Frankische koningen vormden de Longobarden een ernstige bedreiging. Zij besloten een verbond aan te gaan. 

De Longobardische koning Authari (audh hari = ?? strijder) (584-590) werd voor het eerst gekroond met de befaamde IJzeren Kroon (Corona Ferrea), die nog altijd te zien is in de Dom van Monza. Authari herstelde het koninklijk gezag in het noorden en schafte de hertogdommen binnen zijn rijk af. Hij onderhield goede betrekkingen met Garibald l, de hertog van Beieren en huwde in 589 met diens dochter Theodelinde (Theodolinde). In het vervolg liet iedereen die dacht het voor het zeggen te hebben in het noorden van Italië, die kroon op zijn hoofd drukken. Eerst de Longobardische koningen van Agilulf in 590 tot Desiderius in 756 en daarna de keizers van het Heilige Roomse Rijk, van Karel de Grote in 774 tot Karel V in 1530. Maar ook Naplolein in 1805 en als laatste Ferdinand l van Oostenrijk in 1838.
Agilulf (Agilolf) (590-616) sloot vrede met de Franken en een wapenstilstand met de Byzantijnen. Hij huwde met de christelijke weduwe van Authari en liet zijn zoon onder haar invloed Adelbald tot christen dopen. 

Boven: Helm van Agilulf

Het pontificaat van Gregorius I (Gregorius de Grote, 590-604) begon onder een slecht gesternte. In 589 had een geweldige overstroming van de Tiber huizen en tempels zware schade toegebracht en kort nadien was er een pestepidemie uitgebroken. Een processie, met de paus aan het hoofd, poogde een einde te maken aan die epidemie... En jawel! Boven het mausoleum van keizer Hadrianus (117-138) zag Gregorius de Grote een engel, die het zwaard in de schede opborg en gedaan was de epidemie! Sindsdien wordt het mausoleum van Hadrianus Castel Sant' Angelo genoemd.

Longobardische Rijk (600 - 700)

Gemaakt: 24-06-04

colofon