9051 |
Frankrijk (1715 - 1774) |
![]() |
![]()
Lodewijk XV, de achterkleinzoon van Lodewijk XIV en zoon van Lodewijk van Bourbon, hertog van Bourgondië en Maria Adelaide van Savoye, was nog maar 5 jaar toen hij koning werd van Frankrijk. Tot 1723 stond hij onder het regentschap van Filips, hertog van Orléans. Tot 1726 voerde Lodewijk Hendrik van Bourbon, prins van Condé feitelijk het bewind. Een huwelijk van de toekomstige Franse koning met een Spaanse infante zag hij niet zitten. Hij vreesde dat bij een kinderloos overlijden de kroon aan de Spaanse Bourbons of aan Orléans zou overgaan. Hij stuurde aan op een huwelijk met Maria Leszczynska de dochter van de Poolse koning Het huwelijk werd ingezegend te Fontainebleau op 5 september 1725. De nieuwe koningin was 7 jaar ouder dan haar 15-jarige echtgenoot. |
Na het overlijden van kardinaal De Fleury, opvolger van Condé, vatte de koning het plan op zelf te regeren. In 1733 kwam Lodewijk XV tussenbeide in de Poolse Successieoorlog ten gunste van zijn schoonvader. Door de Vrede van Wenen verloor Stanisław echter definitief zijn koninkrijk, maar kreeg door bemiddeling van zijn schoonzoon ter compensatie het bescheidener hertogdom Lotharingen. Na zijn dood zou het hertogdom toevallen aan Frankrijk. Tot 1735 leek het huwelijk vrij probleemloos, ook al toonde de koning weinig affectie aan het adres van zijn echtgenote. Maar daarna begon Lodewijk zich steeds vaker losbandig te gedragen en moest de koningin lijdzaam toezien hoe aan het hof de koninklijke maîtresses elkaar in ijltempo opvolgden en haar vaak met misprijzen behandelden. Lodewijk liet zich in feite beheersen door zijn maîtresses: de drie zusters Nesle, onder wie de hertogin de Châteauroux (tot 1744), de markiezin de Pompadour (tot 1764), de gravin Du Barry (tot 1774). Gekwetst in haar waardigheid trok Maria Leszynska zich steeds vaker in de verborgenheid terug. Zij werd ernstig en devoot, en verdeelde haar tijd tussen gebed en meditatie, liefdadigheid en de opvoeding van haar kinderen. Zij overleed te Versailles op 24 juni 1768, terwijl de koning intussen zonder schroom pronkte met zijn maîtresse Madame du Barry. |
![]() |
Madame de Pompadour werd geboren als Jeanne-Antoinnette Poisson en er wordt gezegd dat ze de buitenechtelijke dochter was van een rijke belastingpachter, die haar wettelijke voogd werd nadat haar officiële vader na een schandaal het land werd uitgezet. Ze werd op 19-jarige leeftijd (1741) uitgehuwelijkt aan een neefje van haar voogd en kreeg twee kinderen. Vlak na de dood van Marie-Anne de Mailly-Nesle de tweede maîtresse van Lodewijk XV werd zij in 1745 door enkele hovelingen (waaronder haar schoonvader) bij de koning aangeprezen als courtisane en uitgenodigd voor een gemaskerd bal ter ere van de trouwerij van de zoon van de koning en een maand later was ze al een veelgeziene gast en 's konings maîtresse. De koning gaf haar woonruimte in Versailles. Hij kocht voor haar ook het kasteel en adellijke titel van markiezin van Pompadour toe. Madame de Pompadour was een intelligente vrouw en had een grote interesse in literatuur. Haar invloed op de Franse politiek beperkte zich hoofdzakelijk tot benoemingen van haar gunstelingen, maar steunde ook hertog van Choiseul, de minister van Buitenlandse Zaken, die voorstander was van een verschuiving in de Franse buitenlandse politiek: weg van de opkomende mogendheid Pruisen ten gunste van de Oostenrijkse Habsburgers. Dit leidde uiteindelijk tot de Zevenjarige Oorlog, die slecht afliep voor Frankrijk en waar ze publiekelijk verantwoordelijk werd gehouden. Haar gok- en speelwoede was legendarisch, maar was voor haar tijd zeker niet uitzonderlijk. Door haar invloed op de koning werd zij de beschermster van grote kunstenaars en schrijvers, onder meer van Diderot en diens Encyclopédie, die tegenwoordig als een mijlpaal van de Verlichting wordt gezien. Ze stichtte de beroemde porseleinfabriek van Sèvres. Maar ook dweepte zij met de romantische ideeën van Jean-Jacques Rousseau en diens "terug naar de natuur!". Mme ging zelf kippen houden in de tuinen van het kasteel van Versailles. Madame de Pompadour overleed in Versailles op 15 april 1764.
rechts: Markiezin de Pompadour |
![]() |
![]() |
Madame du Barry werd geboren in een arm gezin in de Franse stad Vaucouleurs, als Marie-Jeanne Bécu, en was dochter van een naaister en een tolbeambte. Op jonge leeftijd kwam zij onder de naam "mademoiselle Lange" naar Parijs, waar zij aan het werk werd gezet in een modeatelier, maar belandde er al gauw in de prostitutie. Getroffen door haar bijzondere schoonheid, haalde ridder Jean du Barry haar weg uit het bordeel waar hij haar had ontmoet en liet haar een goktent uitbaten. Dáár werd zij opgemerkt door een zekere Lebel, kamerknecht en "hofleverancier" van koning Lodewijk XV. Ze werd in 1767 voorgesteld aan de koning, die onmiddellijk door haar geboeid raakte en haar, zij het niet zonder enig verzet, aan het hof introduceerde. Zij werd zijn maîtresse, enkele jaren na het overlijden van zijn favoriete Madame de Pompadour. De koning schonk haar ten huwelijk aan Guillaume du Barry, de broer van haar beschermer Jean du Barry en verkreeg zo haar titel "gravin du Barry".
Madame du Barry had weinig politiek besef, maar haar invloed op de koning was niet gering. Zij mocht hem tutoyeren en familiair "la France" noemen. Haar tegenstanders, zoals de hertog van Choiseul, vielen door haar toedoen bij de koning in ongenade, terwijl juist lieden van dubieus allooi in aanzien stegen. Door deze relatie vervreemdde Lodewijk XV steeds meer van zijn familie, met name van zijn dochters, zodat hij zich gedwongen zag voor zijn maîtresse het luxueuze paviljoen van Louvecienne te laten bouwen. Dáár bracht zij, naar het voorbeeld van Madame de Pompadour, de koning voortdurend in contact met steeds nieuw vrouwelijk schoon. Links: Madame du Barry |
Hoewel Frankrijk in de Oostenrijkse Successieoorlog (1740 - 1748) veel overwinningen had behaald, had Lodewijk XV daar weinig voordeel bij. Na de Zevenjarige Oorlog (1756–1763) moest Frankrijk haar belangrijkste koloniën, Canada en Louisiana, en haar overheersende positie in Voor-Indië prijsgeven. Daartegenover stond de verwerving van Lotharingen (1766) en Corsica (1768).
De koning amuseerde zich door het onderhouden van een eigen diplomatie ( ‘le secret du roi’), naast de officiële politiek, en interesseerde zich enigermate voor de strijd tussen de jansenistische parlementen en de Jezuïeten, totdat de laatsten in 1764 verbannen werden. Aanvankelijk genoot de koning nog een grote populariteit, maar door zijn levenswijze verspeelde hij die geheel. Dit kwam o.a. tot uiting door de aanslag van Robert-François Damiens (5 januari 1757). Toen Maupeou, de opvolger van de in 1770 ten val gebrachte Choiseul, de zich tegen nieuwe belastingen verzettende parlementen ophief (1771), was de publieke opinie geheel tegen de regering. De begrafenis van de aan kinderpokken gestorven koning moest bespoedigd worden wegens de dreigende houding van het volk. |
Standen en standsverschillen De ontevredenheid onder de bevolking had veel te maken met de grote ongelijkheid die er bestond tussen de verschillende stand. De Derde Stand (waartoe de boeren en gewone burgers behoorden) was verreweg het grootst. Zij vormde 89 procent van de bevolking, terwijl ze maar 30 procent van het land in handen had. Zij moest ook alle belasting betalen. De geestelijkheid en de adel waren daarvan vrijgesteld. De grond waarop de boeren werkten was vaak in handen van een edelman of van een rijke koopman uit de stad. Rijke kooplieden, die voorheen behoorden tot de Derde Stand, konden voor zichzelf een adellijke titel, een rang in het leger kopen en van de voorrechten die de adel bezat profiteren. Bij de adel was er onderscheid tussen de de hoge en de lage adel. De hoge adel leefde aan het hof. Tot de lage adel behoorden de landadel in de provincie en de burgerlijke ambtsadel (degenen die een adellijke titel gekocht hadden. Ook bij de geestelijkheid ontstonden stadsverschillen. De bisschoppen in de steden kwamen meestal uit de adellijke families en waren rijk. De pastoors in de boerendorpen daarentegen kwamen voort uit de Derde Stand en waren arm. Lodewijk XV, sinds lange tijd ondermijnd door syfilis, overleed op 10 mei 1774, waarna gravin du Barry gedwongen werd het hof te verlaten. Zij trok zich een tijdje terug in een klooster nabij Meaux, maar mocht na een jaar terugkeren aan het hof, waar zij met haar nieuwe minnaar, de hertog du Brissac, verbleef tot aan het uitbreken van de Franse Revolutie. In 1792 vertrok zij naar Engeland om er haar aanzienlijke fortuin in veiligheid te stellen. Bij haar terugkeer in Frankrijk werd zij gearresteerd en na een schijnproces op 7 december 1793 veroordeeld tot de guillotine. Om haar leven te rekken deed zij nog een paar "zogenaamde" onthullingen, die velen het leven kostten. In tegenstelling tot eerdere ter dood veroordeelden, waaronder Lodewijk XVI van Frankrijk en Marie-Antoinette, ging ze gillend en huilend haar dood tegemoet. Haar executie werd daarop bespoedigd, aangezien Du Barry's smeekbeden het medelijden opwekten van de meute. Haar laatste woorden tegen haar beul zijn ook haar bekendste: Alstublieft, meneer de scherprechter, nog één klein moment meer! |
Laatst bijgewerkt: 12-10-09 |