8043 |
Engeland (1660-1688) |
![]() |
![]() |
![]() Charles, de oudste zoon van Charles (Karel) l was in 1646 met zijn moeder naar Frankrijk gevlucht. In 1650 werd hij door de Schotten als koning erkend en op 1 januari 1651 als gekroond. Na de slag bij Worcester (3 september 1651) moest hij echter weer de wijk nemen naar het continent. Hij verbleef eerst in Frankrijk, ging vervolgens naar Keulen en daarna naar Holland. Daar vond hij steun bij zijn zuster Maria Henriëtte. Van Holland en van de Zuidelijke Nederlanden uit bleef hij betrekkingen met de royalisten in Engeland onderhouden. Nadat het Lange Parlement in 1660 besloten had de Stuarts op de troon te herstellen, zond het een deputatie naar Brussel, waar Charles toen verbleef, om hem van de voorwaarden voor de restauratie in kennis te stellen. |
Charles beloofde algemene amnestie, een grote mate van godsdienstvrijheid en erkenning van de bezitsverschuivingen die door de burgeroorlog waren ontstaan (declaratie van Breda, 4 april 1660). Er werd een voorlopig parlement gekozen, dat met Charles' verklaring akkoord ging en hem in mei tot koning uitriep. Op 29 mei 1660 deed Karel zijn intocht in Londen.
Charles lag voortdurend overhoop met het Parlement. Charles neigde te willen regeren als een absoluut vorst naar het voorbeeld van In zijn buitenlandse politiek keerde Charles zich tegen de Republiek der Verenigde Nederlanden en leunde hij aan tegen Lodewijk XIV, die hem in financieel opzicht steun verleende (Triple Alliantie, Geheim Verdrag van Dover). De Engelse inname in 1664 van Nieuw Amsterdam en Nieuw Nederland in vredestijd was één van de vonken, die de Engels- Nederlandse oorlog deden ontketenen. De Engelsen zouden duur betalen voor hun inval in 1664 maar de terugkeer van het oude Nieuw Nederland onder Nederlands gezag behoorde niet tot het vredesverdrag, dat in 1667 te Breda werd gesloten. De Nieuw Nederlanders zouden nog eens vijf jaar moeten wachten op een korte hereniging met hun moederland. De tweede Engels-Nederlandse oorlog was beëindigd met de vrede van Breda in juli 1667. De Nederlanders hadden Engeland in de houdgreep genomen, met bijna het faillissement van koning Charles II tot gevolg, en uiteindelijk het sturen van een vloot de Thames op, door de Medway en door naar Chatham, terwijl ze pakhuizen aan het water van de Thames en de marine werf van Chatam in beslag namen waardoor ze Londen in paniek brachten. De daarop volgende blokkade bracht de handel van Londen tot een halt gedurende de eerste helft van de zomer 1667 wat de inkomsten van Charles feitelijk deed opdrogen. De vrede van Breda die daarop volgde nam de greep van de Nederlanders op de Britse handel weg, gaf de Nederlanders Suriname in het Zuid-Amerikaanse kustgebied en enkele andere concessies maar gaf Nieuw Nederland niet meer aan de Nederlanders terug. De volgende Triple Alliance in 1668, tussen Engeland, Nederland en Zweden veronderstelde een bevestiging van de samenwerking tussen deze drie protestantse landen te zijn. Charles II was echter zo diep vernederd dat hij binnen twee jaar een geheim verbond met de Franse Louis XIV sloot om voor eens en voor altijd de Nederlandse Republiek te verpletteren. Meer dan 100.000 Franse soldaten vielen de Nederlanden binnen en namen met een snel tempo met succes steden en provincies in tot en met Utrecht. Een gezamenlijke vloot van de Engelsen en de Fransen had geen invloed op de aanvallen op het land omdat deze werd tegengehouden door schepen van de Nederlandse vloot. Wat nog erger was voor Engeland was dat Charles zn middelen plotseling op raakten. Dit zou direct effect hebben op de uitkomst van de oorlog. Na het (in de ogen van de Engelsen) desastreuze einde van de tweede Engels- Nederlandse oorlog konden de handelaren (wier pakhuizen waren vernietigd) bijna niet meer genoeg belasting opbrengen voor de Engelse kroon. De resterende inkomsten van Charles II hingen ten eerste af van de Virginia Tabaks industrie, ten tweede van de belastingen en de heffingen uit de Nieuwe Wereld en ten derde van de inkomsten verkregen van de Newfoundland visserijen. De Nederlanders zouden er snel voor zorgen dat aan alle drie een einde kwam. In juli 1673 nam een Nederlandse vloot onder gecombineerde leiding van Cornelius Evertsen en Jacob Benckes bijna de halve Virginia tabaks vloot in en liet de helft van de rest zinken of vernietigen. Daarna zeilden ze naar het Noorden en heroverden ze al snel Nieuw Nederland, en slaagden ze erin beslag te leggen op de vissersdorpen aan de kust in Newfoundland (voor aanvullende details zie De erfenis van Peter Stuyvesant ergens anders op deze pagina). Alle Engelse schepen in het voormalig New York( nu hernoemd in Nieuw Oranje) werden ingenomen. Engelse handelaren die Boston konden ontvluchten deden dit snel, het gerucht over een ongelooflijke grote Nederlandse vloot verspreidde zich namelijk door New England. De Newfoundland visserijgronden werden afgesloten terwijl de handel en commerciele activiteiten werden gestaakt. Het belangrijkste was dat de inkomstenstroom van Charles stopte. Vanuit het perspectief van de Engelse kroon werd heel Noord-Amerika bedreigd. Charles II kon de vloot die de Thames bewaakte niet weg sturen omdat hij bang was voor een herhaling van de actie van 1667, en de Nederlanders deden weldegelijk opnieuw een poging in 1672 om Sheerness aan de monding van de Thames in te nemen maar deze keer was de verdediging verbeterd. De weinige berichten die waren ontvangen uit de Nieuwe Wereld overdreven waarschijnlijk de omvang van de ramp maar Nieuw Nederland was weer vast in Nederlandse handen en de realiteit van het verlies aan inkomen was zeker. Toen het eerste schip dat naar de Nederlanders thuis toe gestuurd was om ze te informeren als gevolg van Nederlandse onoplettendheid werd door de Engelsen onderschept en veroverd, realiseerde Charles zich de omvang van de verliezen en nog belangrijker, kon hij profiteren van de gelegenheid om een vrede met de Nederlanders te sluiten voordat de Nederlandse onderhandelaars zich de volle betekenis van de overwinning in de Nieuwe Wereld konden realiseren. De Fransen, die zich stilhielden buiten Amsterdam waren tijdelijk tegengehouden door de verdedigers, die de dijken hadden geopend en de velden, die de legers moesten passeren onder water hadden laten lopen. Toen het verdrag van Westminster in 1674 getekend was, verdween de Engelse steun aan de Fransen en Frankrijk viel niet meer aan maar trok zich tenslotte terug. Zodoende waren de Verenigde Nederlanden en het Huis van Oranje gered, maar de Nieuw Nederlandse nederzetting viel weer onder het Engelse gezag. Karel huwde in 1662 met Catharina van Bragança. Hij was een groot levensgenieter, een verkwister en had talloze maîtresses. |
![]() |
![]() James ll uit het Huis Stuart, was de tweede zoon van Charles I. In januari 1643 had hij de titel hertog van York ontvangen. Tijdens de burgeroorlog werd James door het parlement gevangengenomen, maar hij ontsnapte in 1648 naar Holland. In 1649 ging hij naar Frankrijk. In 1652 diende hij onder Turenne en in het Spaanse leger. Bij de restauratie van de Stuarts in 1660 werd hij ‘Lord High Admiral’ van Engeland. Hij betoonde zich in de strijd tegen de Hollanders een bekwaam vlootvoogd (vooral als organisator en administrateur, al streed hij ook ter zee: Zeeslag bij Lowestoft (3 juni 1665), Slag bij Solebay). in de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) Onder: Slag bij Lowestoft, 3 juni 1665 |
![]() |
Onder invloed van zijn vrouw, Anne Hyde, warmee hij in 1660 in het huwelijk was getreden, ging hij over tot het Rooms Katholicisme, zodat hij na de afkondiging van de Test Act (1673) al zijn ambten moest neerleggen. In 1673 trouwde hij de katholieke Maria (Mary) d'Este, prinses van Modena. De publieke opinie in Engeland werd hem steeds slechter gezind en ten tijde van de "popish plot" (1678) moest hij vluchten. Hij kon spoedig terugkeren en werd in 1680 koninklijk stadhouder in Schotland, waar hij zeer streng tegen de protestanten optrad. James was van rechtswege troonopvolger, maar na 1680 brak een hevige strijd om zijn erkenning uit tussen koning en parlement en Whigs en Tories. De gebeurtenissen ontwikkelden zich ten gunste van James, en in 1685 aanvaardde hij de regering. rechts: Maria d'Este van Modena |
![]() |
|
James was rooms-katholiek en wel zo fanatiek dat hij roomser dan de paus kon worden genoemd. Hij was een tirannieke dweper, die met zijn tegenhervormingen veel kwaad bloed zette bij vooral het gematigde deel van het volk en het parlement. In zijn regeringsperiode vond dan ook een aantal opstanden plaats. De derde had succes en hierbij werd James' schoonzoon, Willem lll (gehuwd met de protestantse Maria Stuart, James' dochter uit zijn eerste huwelijk) uitgenodigd met een leger naar Engeland te komen om de paapse James ll van de troon te verdrijven, zodat het voortbestaan van een overwegend protestantse natie gewaarborgd was en men zich in de Noordelijke Nederlanden een krachtige bondgenoot wist tegen het roomse en agressieve Frankrijk. Opstanden van Argyll en Monmouth werden onderdrukt. De oppositie nam echter snel toe, daar James de Test Act overtrad door katholieken in belangrijke militaire en rechterlijke functies te benoemen. De oppositie bereikte haar hoogtepunt toen James de Anglicaanse geestelijken wilde dwingen het zgn.
links: Mary Stuart en Willem lll (geschilderd door Anthony van Dyck) |
Tolerantie-edict ten gunste van de katholieken van de kansel voor te lezen en er bovendien een mannelijke troonopvolger geboren werd (10 juni 1688). James’ tegenstanders meenden dat de kroonprins een ondergeschoven kind was. In ieder geval was het voor hen een grote teleurstelling dat James' dochters, beiden met protestantse vorsten gehuwd, nu van de opvolging uitgesloten waren. De leiders van de Whigs nodigden Stadhouder Willem III van Oranje, James’ schoonzoon, uit de regering over te nemen. |
laatst bijgewerkt: 27-04-06 |