3654 |
Lydië (600 - 500 v. Chr.) |
![]() Nadat de Meden In het begin van de 6e eeuw voor Chr. een vergeefse poging hadden gedaan de Lydiërs in Anatolië te onderwerpen, beleefde het oude Nabije Oosten een zeldzame tijd van stabiliteit. Aan dit machtsevenwicht kwam echter in 550 v. Chr. een eind toen ![]() ![]() |
|
![]() |
Links: Croesus ontvangt belastinggeld van een Lydische boer (schilderij van Claude Vignon, 1629 |
De Lydische koning zag in de ondergang van |
In 547 v. Chr. stak Croesus de rivier de Halys over, en trok vervolgens het toen Perzische Cappadocië binnen. Hij slaagde erin het vroegere Medische fort Pteria in te nemen, waarna hij wachtte op Cyrus ll, die de 1800 km lange mars naar Pteria vanaf de Perzische hoofdstad Susa binnen enkele maanden aflegde. Het Perzische en Lydische leger raakten buiten Pteria slaags in de vroege zomer.
In de bloedige strijd, die een dag duurde, konden noch de lange speren van de bereden lansiers van Lydië, noch de pijlen en korte zwaarden van de Perzische en Medische cavalerie de overhand over de tegenstanders verkrijgen. Croesus gaf zijn troepen bevel zich terug te trekken en de volgende morgen trok hij zich met zijn leger terug naar zijn hoofdstad Sardis. |
![]() |
Na zijn thuiskomst zond hij boodschappen naar zijn Babylonische, Egyptische en Spartaanse bondgenoten om er bij hen op aan te dringen legers voor te bereiden op de acties van het volgende jaar en begon hij zijn eigen troepen te demobiliseren, wat een normale gang van zaken was aan het eind van de zomer: niemand trok ten strijde tijdens de bitter koude winters van Anatolië - althans dat was wat Croesus geloofde. Hij had niet gerekend op de verrassingsstrategie van zijn Perzische tegenstanders. Cyrus wachtte net lang genoeg om de Lydische koning Sardis te laten bereiken en zijn troepen uit te betalen en trok daarna zo snel mogelijk met zijn leger op naar de Lydische hoofdstad. Croesus bracht in allerijl zijn leger opnieuw op de been, stelde zijn gerenommeerde lansiers in de voorhoede en trok naar de wijde vlakten die zijn hoofdstad omringden om daar met de vijand strijd te leveren. Cyrus had echter nog een verrassing voor de Lydiërs in petto. Hij wist dat paarden een instinctieve angst hebben voor kamelen. Hij beval een groot aantal van deze dieren uit de lastkaravaan te halen en hun bepakking te vervangen door bewapende ruiters. Toen de paarden van de Lydische lansiers de geur opsnoven van deze voor hen onbekende dieren die in hun richting kwamen, sloegen zij op hol en brachten zó de slagorde van het hele Lydische leger in wanorde. Ondanks de verwarring die daardoor teweeg werd gebracht en het verlies van zijn cavalerie, slaagde Croesus er in zich met het grootste deel van zijn leger veilig terug te trekken binnen de muren van Sardis. De stad, die bovenop een hoogte met een steile helling lag, werd alom als onneembaar beschouwd. Hoewel Cyrus een beloning aanbood aan de eerste man die over de muren kon komen, was er twee weken lang niemand die hem daaraan kon houden. Het begon erop te lijken dat slechts uithongering de stad tot overgave kon dwingen en dat de Lydische bondgenoten aan zouden komen voor dat gebeurde. Bij toeval ontdekte echter één Cyrus krijgslieden een zwakke plek in de verdedigingswerken en bij de daarop volgende bestorming werd de stad ingenomen. De vernederde Croesus liet zich daarna op de brandstapel ter dood brengen. |
![]() |
De ruïnes van Sardis |
Na deze beslissende gebeurtenis zonden de vroegere onderdanen van Lydië - met name de Ionische steden aan de westkust van Anatolië, die door de Grieken bewoond werden - afgezanten naar de nieuwe keizer. Zij boden aan hun leenverdragen te vernieuwen op dezelfde voorwaarden die zij met Croesus gehad hadden. Cyrus weigerde ze allemaal op één na, de stad Milete. Met die machtige potentiële vijand sloot Cyrus een afzonderlijk verdrag van vriendschap en verbintenis. De andere Ionische staten liet hij door zijn ondergeschikten met geweld innemen, waaronder de gebieden in Klein-Azië die werden bewoond door de Cariërs en de Phrygiërs. Zelf wijdde hij zich aan dringender zaken die zijn aandacht opeisten. Eerst wendde hij zich naar het oosten, waar hij zijn greep verstevigde op de satrapieën (provincies) die hij van de Meden had geërfd en de nieuwe landen en volkeren die hij aan zijn rijk had toegevoegd. Hij stelde zijn neef Hystaspes aan als gouverneur over Parthië en Hyrcanië, ten noorden en ten oosten van de centrale woestijn van het plateau. |
laatst bijgewerkt: 12-06-02 |