2914

Romeinse Rijk - Constantius ll  (353 - 361)

  Romeinse Rijk (337 - 353 n. Chr.)

Na de dood van zijn twee broers Constans en Constantinus ll was Constantius ll alleenheerser geworden over het gehele Romeinse rijk. 

Tijdens de strijd tegen Magnentius (351-353) waren er weer infiltraties van Alamannen in de Elzas. De Germaanse horden zaaiden overal dood en verderf. 

Na de dood van Constantijn de Grote (337) werden diens mannelijke verwanten door soldaten vermoord. Constantius Gallus en zijn jongere broer Flavius Claudius Iulianus, de zoons van Iulius Constantius (een halfbroer van keizer Constantijn de Grote en zijn vrouw Basilina, waren vrijwel de enige overlevenden.

Rechts: Constantius ll

In 351 stelde Constantius ll onder druk van de omstandigheden de toekomstige troonopvolger Constantius Gallus aan als caesar (onderkeizer) van het oosten. Daar ontpopte hij zich als een wrede tiran. In 354 liet Constantius ll hem echter wegens wanbeheer terechtstellen: "Als een bandiet werd hij geboeid en onthoofd, waarna zijn hoofd en zijn gezicht onherkenbaar werden verminkt, zodat van de man die kort daarvóór nog de schrik was geweest van provincies en steden, niet méér overbleef dan een vormeloos kadaver, schreef de Romeinse geschiedschrijver Ammianus Marcellinus (ca. 330 - na 392) in zijn Historiën Boek XlV)

In 355 stelde Constantius ll Flavius Claudius Julianus aan als zijn opvolger als caesar van Gallia, Brittannia en Spanje. In die hoedanigheid werd Julianus opperbevelhebber van het Romeinse leger in Gallia en heel het Westen. Julianus trad in het huwelijk met Helena, de jongste zus van de keizer.

Rechts: Constantius Gallus

Rond 355 waren de Hunnen slaags geraakt met de oostelijke Alanen en verdreven naar het zuiden en westen.in de richting van Europa. 

Constantius ll probeerde het oude geloof in de Romeinse goden nieuw leven in te blazen, maar de keizers na hem bepaalden dat alle heidense tempels moesten worden gesloten. De tempel van Apollo in Delphi werd neergehaald. Tijdens het wegslepen van de beelden werd de tempel bedolven onder een lawine van aarde en steen om pas aan het eind van de 19e eeuw (1892) door Franse archeologen te worden blootgelegd. Er mochten geen dieren meer worden geofferd en in de huizen mocht geen wierook meer worden gebrand voor de huisgoden. De Olympische Spelen werden eveneens verboden. Alleen in de meer afgelegen delen van het Rijk bleef het geloof in de heidense goden nog een langere tijd bestaan, zoals in Egypte, Noord-Afrika en in het oosten. 

In de strijd tussen het orthodoxe Christendom en het Arianisme steunde Constantius ll aanvankelijk de middenpartij; maar later ging hij steeds meer in Ariaanse richting en kreeg daardoor conflicten met Athanasius, de patriarch van Alexandrië. Als "stedehouder Gods op aarde" probeerde Constantius de concilies te dwingen tot kerkelijke eenheid. Niet ten onrechte heet hij dan ook wel de eerste Byzantijnse keizer.

Julianus trachtte onder andere de Salische Franken die het Rijn- en Schelde-gebied onder bedwang hadden te pacificeren. In de zomer van 356 herstelde hij de oostelijke Rijngrens en heroverde Colonia Claudia Ara Aggrippinensium (Keulen). Tijdens de winter datzelfde jaar koos Julianus Lutetia (Parijs) als bestuurscentrum van Gallië.

De zomer daarop trok Julianus op tegen de Alamannen. De eerste veldslag tussen beide legers vond plaats bij Reims en eindigde in het voordeel van de Alamannen. Nadat beide legers zich hadden gehergroepeerd vond een veldslag plaats bij Argentoratum, het huidige Straatsburg. 

Julianus trad de Alamannen tegemoet met een leger bestaande uit ongeveer 15.000 soldaten. Het leger van koning Cnodomar was tweemaal zo groot. Toen de strijd losbarstte slaagden de Alamannen erin om de Romeinse cavalerie terug te drijven en wist de Alamaanse infanterie het Romeinse centrum te doorbreken. Julianus hergroepeerde snel zijn cavalerie en bracht deze terug in de strijd. Ook zette hij al zijn reserves in om het gat in het centrum van zijn leger op te vullen. Door deze meesterlijke zet kwamen de Romeinen in het voordeel. De Alamaanse linies werden doorbroken en de Alamannen sloegen op de vlucht. Tijdens deze paniekerige aftocht werden veel Alamannen gedood of verdronken in de Rijn. Chnodomar werd gevangen genomen. De Alamannen verloren 6.000 soldaten, de Romeinen slechts 247 man.

In de winter 357-358 trok Julianus met zijn leger via Keulen naar Mosae ad Trajectum (Maastricht) en versloeg een legertje Frankische plunderaars. In mei 358 onderwierp hij de Salische Franken in Toxandrië. Hij verbleef te Tongeren in de lente van 358 waar hij een verdrag sloot met de Salische Franken, een verdrag dat mede aan de oorsprong van de Belgische taalgrens ligt. De Salische Franken mochten zich ten noorden van de heirbaan Bavai-Keulen vestigen. Zij werden daarmee de eerste Germaanse bondgenoten (foederati) die op het Romeinse grondgebied een stuk land kregen toegewezen. In 359 trok Julianus over de Rijn en bevrijdde 20.000 Gallische krijgsgevangen.

 De argwanende Constantius ll voelde geen onvermengde vreugde over de militaire successen en het stijgende aanzien van zijn neef. Een paar jaar later kreeg hij een welkome gelegenheid om Julianus van zijn beste troepen te beroven. 

Er brak een oorlog uit met de Perzen. Ter versterking van de Aziatische legers had hij verse troepen uit het westen nodig. Hij droeg zijn commissarissen op, de elite van de Gallische troepen uit te zoeken. Hoewel het zeer tegen zijn zin was, wilde Julianus het bevel van de keizer toch loyaal opvolgen. Maar de gekozen soldaten weigerden hun eigen land te verlaten en riepen Julianus in 361 zijn residentie te Lutetia uit tot tegenkeizer (augustus). Hij had nu de keuze tussen twee mogelijkheden: zich aan het hoofd van de muiters stellen of door zijn neef ter dood worden gebracht. 

Rechts: Julianus

Toen Constantius ll van het oproer in Gallië hoorde, raakte hij in paniek, maar wees ogenblikkelijk Julianus' pogingen om tot een vreedzame oplossing te komen van de hand. Hij besloot van een pauze in de oorlogvoering gebruik te maken om tegen "die ondankbare oproerling" op te trekken. 

Onder al die bedrijven hield Julianus het hoofd koel. De enorme gevolgen beseffend van zijn besluit tot burgeroorlog en zich er scherp van bewust dat het voor het welslagen van zo’n gewaagde onderneming aankwam op snelheid van handelen, besloot hij voor zichzelf dat hij het beste zijn afvalligheid nu openlijk kon proclameren. Niet geheel zeker van de loyaliteit van zijn troepen, stemde hij echter eerst in een geheime ceremonie de oorlogsgodin Bellona gunstig, liet dan appel blazen, nam plaats op een stenen verhoging en sprak toen, kennelijk nu zekerder van zichzelf, met een luidere stem dan men van hem gewoon was: 

Medestrijders! Al lang heb ik bij mijzelf gedacht dat bij u op grond van uw bijzondere prestaties verwachtingen moesten zijn gewekt en u uitzag naar deze bijeenkomst om te vernemen en te beoordelen wat komen gaat, zodat u zich daarop kunt instellen. Want ook een soldaat die gegroeid is van roemvolle daden, betaamt het eerst te luisteren en dan te spreken, zoals een beproefd en evenwichtig leider op niets anders gericht behoort te zijn dan op wat goedkeuring en bijval verdient. Wilt daarom luisteren naar wat ik zonder omwegen in het kort zal zeggen over mijn plannen. Door een hemels besluit ben ik al in mijn jonge jaren met u verbonden en heb ik met u de voortdurende invallen van de Alamannen en de Franken met hun eeuwige roofzucht een halt toegeroepen. Dankzij onze gezamenlijke inspanningen heb ik het Romeinse legers mogelijk gemaakt naar believen de Rijn over te steken. In een rotsvast vertrouwen op uw dapperheid heb ik standgehouden tegen vervaarlijke dreigementen en woeste aanvallen van machtige volken. Gallië, dat van deze geweldige prestaties van ons getuige is geweest en hersteld is van zware verliezen aan mensenlevens, have en goed, zal er door alle eeuwen heen aan het nageslacht over verhalen. Maar nu ik door uw besliste keuze en gedwongen door de omstandigheden tot de waardigheid van Augustus ben verheven, heb ik mij, afhankelijk van uw goedkeuring en die van de hemel (als Fortuna onze onderneming begunstigt) een nog hoger doel gesteld, mij realiserend dat u, dat dit leger, befaamd om zijn discipline en zijn gevechtskracht, mij kent als een rustig en gematigd mens in vredestijd, en in oorlogen met verenigde troepen van barbaren als een man die het hoofd koel houdt. Volgt u dus met mij de naar mijn mening veilige koers die ik voor ogen heb, nu het feit dat de situatie in het rijk rustig is ons in de kaart speelt en we vijandelijke bewegingen vóór kunnen zijn: we rukken dan snel op in de richting van Illyricum, waar nog geen sterke garnizoenen gelegen zijn, bezetten intussen de verste delen van Dacië en beslissen daarna, afhankelijk van ons succes, wat ons verder te doen staat. Ik vraag u als soldaten die op hun leiders vertrouwen, te zweren dit plan van harte te steunen en te blijven steunen. Van mijn kant sta ik ervoor in, niets onbezonnens of halfslachtigs te zullen ondernemen en te allen tijde bereid te zijn te tonen dat ik gewetensvol alleen bedacht zal zijn op wat het algemeen belang dient en nooit bewust zal doen of proberen wat daarmee strijdt. Wel wil ik beslist dat u in het vuur van uw acties nooit schade zult toebrengen aan onze burgerbevolking, bedenkend dat de vernietiging van onze talloze vijanden juist roem heeft gebracht als garantie voor het welzijn en de veiligheid van de provincies.’ 

Door deze toespraak van hun keizer, waarvan ze elk woord inzogen als van een orakel, maakte een grote opwinding zich van de verzamelde manschappen meester en in een roes van geestdrift over wat hun in het vooruitzicht werd gesteld, sloegen ze met oorverdovend geschreeuw dreunend op hun schilden, uitroepen scanderend waarmee ze hem prezen als een groot leider, een machtig veldheer en een met geluk gezegende bedwinger van volken en vorsten - hun ervaring. Gevraagd gezamenlijk op zijn naam te zweren, zwoeren ze formeel met het zwaard op hun keel gericht onder de vreselijkste vervloekingen, dat ze voor hem alles zouden geven tot zo nodig hun leven toe, waarna de officieren en de naaste adviseurs hun voorbeeld volgden en in een soortgelijke ceremonie trouw beloofden. Alleen de prefect Nebridius verzette zich daartegen, even principieel als onvoorzichtig, met de verklaring dat hij zich onmogelijk onder ede tegen Constantius kon binden, aan wie hij zoveel verplicht was. Soldaten die vlakbij hem stonden en dat hoorden, werden zo razend dat ze op hem aanvielen en hem zouden hebben vermoord als hij geen bescherming had gezocht bij de keizer, die hem onder zijn generaalsmantel nam. Terugkerend in zijn keizerlijke verblijven, vond Julianus de man, die hem was vooruitgegaan, als smekeling op de grond liggend. Maar toen hij hem om zijn hand vroeg ten teken dat hij niets te vrezen had, antwoordde Julianus hem: ‘En welk voorrecht heb ik mijn vrienden nog te bieden als u mijn hand hebt mogen aanraken? Gaat u alstublieft gerust naar waar u wilt’. Op die woorden vertrok Nebridius ongekrenkt naar huis in Toscane. Na aldus alle voorbereidingen te hebben getroffen die de ernst van de zaak vorderden, gaf Julianus, uit ervaring wetend hoe belangrijk het in verwarde situaties was zelf het initiatief te nemen, een schriftelijke marsorder richting Pannonië, liet het kamp opbreken, de standaards heffen en stortte zich in het avontuur.  

Ammianus Marcellinus, Romeinse geschiedschrijver (ca. 330 - na 392) Boek XXl, hoofdstuk 5

 

Onderweg in Cilicië werd Constantius ll door hoge koortsen overvallen. Daar hij echter zijn reis niet wilde onderbreken, kostte de ziekte hem zijn leven (361). Op zijn sterfbed zou hij Julianus als zijn opvolger hebben erkend.

rechts: Constantius ll

Westelijke Provincies (361-395); Oostelijke Provincies (364-479)

laatst bijgewerkt: 07-09-02

colofon