2914 |
Romeinse Rijk - Constantius ll (353 - 361) |
![]() |
Na de dood van zijn twee broers Constans en Constantinus ll was Tijdens de strijd tegen Na de dood van Rechts: |
![]() |
In 351 stelde In 355 stelde Constantius ll Flavius Claudius Julianus aan als zijn opvolger als caesar van Gallia, Brittannia en Spanje. In die hoedanigheid werd Julianus opperbevelhebber van het Romeinse leger in Gallia en heel het Westen. Julianus trad in het huwelijk met Helena, de jongste zus van de keizer. Rechts: |
![]() |
Rond 355 waren de Hunnen slaags geraakt met de oostelijke Alanen en verdreven naar het zuiden en westen.in de richting van Europa.
In de strijd tussen het orthodoxe Christendom en het Arianisme steunde Constantius ll aanvankelijk de middenpartij; maar later ging hij steeds meer in Ariaanse richting en kreeg daardoor conflicten met Julianus trachtte onder andere de Salische Franken die het Rijn- en Schelde-gebied onder bedwang hadden te pacificeren. In de zomer van 356 herstelde hij de oostelijke Rijngrens en heroverde Colonia Claudia Ara Aggrippinensium (Keulen). Tijdens de winter datzelfde jaar koos Julianus Lutetia (Parijs) als bestuurscentrum van Gallië. De zomer daarop trok Julianus op tegen de Alamannen. De eerste veldslag tussen beide legers vond plaats bij Reims en eindigde in het voordeel van de Alamannen. Nadat beide legers zich hadden gehergroepeerd vond een veldslag plaats bij Argentoratum, het huidige Straatsburg. Julianus trad de Alamannen tegemoet met een leger bestaande uit ongeveer 15.000 soldaten. Het leger van koning In de winter 357-358 trok Julianus met zijn leger via Keulen naar Mosae ad Trajectum (Maastricht) en versloeg een legertje Frankische plunderaars. In mei 358 onderwierp hij de Salische Franken in Toxandrië. Hij verbleef te Tongeren in de lente van 358 waar hij een verdrag sloot met de Salische Franken, een verdrag dat mede aan de oorsprong van de Belgische taalgrens ligt. De Salische Franken mochten zich ten noorden van de heirbaan Bavai-Keulen vestigen. Zij werden daarmee de eerste Germaanse bondgenoten (foederati) die op het Romeinse grondgebied een stuk land kregen toegewezen. In 359 trok Julianus over de Rijn en bevrijdde 20.000 Gallische krijgsgevangen. |
De argwanende Er brak een oorlog uit met de Perzen. Ter versterking van de Aziatische legers had hij verse troepen uit het westen nodig. Hij droeg zijn commissarissen op, de elite van de Gallische troepen uit te zoeken. Hoewel het zeer tegen zijn zin was, wilde Julianus het bevel van de keizer toch loyaal opvolgen. Maar de gekozen soldaten weigerden hun eigen land te verlaten en riepen Rechts: Julianus |
![]() |
Toen Onder al die bedrijven hield ‘Medestrijders! Al lang heb ik bij mijzelf gedacht dat bij u op grond van uw bijzondere prestaties verwachtingen moesten zijn gewekt en u uitzag naar deze bijeenkomst om te vernemen en te beoordelen wat komen gaat, zodat u zich daarop kunt instellen. Want ook een soldaat die gegroeid is van roemvolle daden, betaamt het eerst te luisteren en dan te spreken, zoals een beproefd en evenwichtig leider op niets anders gericht behoort te zijn dan op wat goedkeuring en bijval verdient. Wilt daarom luisteren naar wat ik zonder omwegen in het kort zal zeggen over mijn plannen. Door een hemels besluit ben ik al in mijn jonge jaren met u verbonden en heb ik met u de voortdurende invallen van de Alamannen en de Franken met hun eeuwige roofzucht een halt toegeroepen. Dankzij onze gezamenlijke inspanningen heb ik het Romeinse legers mogelijk gemaakt naar believen de Rijn over te steken. In een rotsvast vertrouwen op uw dapperheid heb ik standgehouden tegen vervaarlijke dreigementen en woeste aanvallen van machtige volken. Gallië, dat van deze geweldige prestaties van ons getuige is geweest en hersteld is van zware verliezen aan mensenlevens, have en goed, zal er door alle eeuwen heen aan het nageslacht over verhalen. Maar nu ik door uw besliste keuze en gedwongen door de omstandigheden tot de waardigheid van Augustus ben verheven, heb ik mij, afhankelijk van uw goedkeuring en die van de hemel (als Fortuna onze onderneming begunstigt) een nog hoger doel gesteld, mij realiserend dat u, dat dit leger, befaamd om zijn discipline en zijn gevechtskracht, mij kent als een rustig en gematigd mens in vredestijd, en in oorlogen met verenigde troepen van barbaren als een man die het hoofd koel houdt. Volgt u dus met mij de naar mijn mening veilige koers die ik voor ogen heb, nu het feit dat de situatie in het rijk rustig is ons in de kaart speelt en we vijandelijke bewegingen vóór kunnen zijn: we rukken dan snel op in de richting van Illyricum, waar nog geen sterke garnizoenen gelegen zijn, bezetten intussen de verste delen van Dacië en beslissen daarna, afhankelijk van ons succes, wat ons verder te doen staat. Ik vraag u als soldaten die op hun leiders vertrouwen, te zweren dit plan van harte te steunen en te blijven steunen. Van mijn kant sta ik ervoor in, niets onbezonnens of halfslachtigs te zullen ondernemen en te allen tijde bereid te zijn te tonen dat ik gewetensvol alleen bedacht zal zijn op wat het algemeen belang dient en nooit bewust zal doen of proberen wat daarmee strijdt. Wel wil ik beslist dat u in het vuur van uw acties nooit schade zult toebrengen aan onze burgerbevolking, bedenkend dat de vernietiging van onze talloze vijanden juist roem heeft gebracht als garantie voor het welzijn en de veiligheid van de provincies.’ Door deze toespraak van hun keizer, waarvan ze elk woord inzogen als van een orakel, maakte een grote opwinding zich van de verzamelde manschappen meester en in een roes van geestdrift over wat hun in het vooruitzicht werd gesteld, sloegen ze met oorverdovend geschreeuw dreunend op hun schilden, uitroepen scanderend waarmee ze hem prezen als een groot leider, een machtig veldheer en een met geluk gezegende bedwinger van volken en vorsten - hun ervaring. Gevraagd gezamenlijk op zijn naam te zweren, zwoeren ze formeel met het zwaard op hun keel gericht onder de vreselijkste vervloekingen, dat ze voor hem alles zouden geven tot zo nodig hun leven toe, waarna de officieren en de naaste adviseurs hun voorbeeld volgden en in een soortgelijke ceremonie trouw beloofden. Alleen de prefect Nebridius verzette zich daartegen, even principieel als onvoorzichtig, met de verklaring dat hij zich onmogelijk onder ede tegen Constantius kon binden, aan wie hij zoveel verplicht was. Soldaten die vlakbij hem stonden en dat hoorden, werden zo razend dat ze op hem aanvielen en hem zouden hebben vermoord als hij geen bescherming had gezocht bij de keizer, die hem onder zijn generaalsmantel nam. Terugkerend in zijn keizerlijke verblijven, vond Julianus de man, die hem was vooruitgegaan, als smekeling op de grond liggend. Maar toen hij hem om zijn hand vroeg ten teken dat hij niets te vrezen had, antwoordde Julianus hem: ‘En welk voorrecht heb ik mijn vrienden nog te bieden als u mijn hand hebt mogen aanraken? Gaat u alstublieft gerust naar waar u wilt’. Op die woorden vertrok Nebridius ongekrenkt naar huis in Toscane. Na aldus alle voorbereidingen te hebben getroffen die de ernst van de zaak vorderden, gaf Julianus, uit ervaring wetend hoe belangrijk het in verwarde situaties was zelf het initiatief te nemen, een schriftelijke marsorder richting Pannonië, liet het kamp opbreken, de standaards heffen en stortte zich in het avontuur. Ammianus Marcellinus, Romeinse geschiedschrijver (ca. 330 - na 392) Boek XXl, hoofdstuk 5 |
Onderweg in Cilicië werd Constantius ll door hoge koortsen overvallen. Daar hij echter zijn reis niet wilde onderbreken, kostte de ziekte hem zijn leven (361). Op zijn sterfbed zou hij Julianus als zijn opvolger hebben erkend. rechts: Constantius ll |
![]() |
![]() laatst bijgewerkt: 07-09-02 |