2929

Rome (202 - 100 v. Chr.)

Romeinse Rijk (218 - 202 v. Chr.)

De strijd om haar voortbestaan, die Rome doorstond tijdens de Tweede Punische oorlog (218-202), is op de loop van de geschiedenis van enorme invloed geweest. Niet de nederlaag van Carthago was het belangrijkst, maar het gevolg ervan voor Rome. Deze stad gaf voortaan de toon aan. Iedere stad die was overgelopen (w.o. Capua en Tarentum) werden genadeloos gestraft en van alle rechten beroofd. Wanneer nieuw gebied werd geannexeerd, bijv. dat van de Liguriërs in het noorden, werden, naar goeddunken van de staat, hele bevolkingsgroepen overgeplant. 
De oorlog had ook de macht van de heersende klasse vergroot. In tijden van nood moest de Senaat snel beslissingen kunnen nemen, zonder de volksvergadering te raadplegen en de Senaat stond de haar gegeven bevoegdheden niet graag af. 

In Italië was de bevolking behoorlijk door elkaar geschud. In de nu volgende adempauze dromde de bevolking naar de steden; op het platteland werden nieuwe landerijen voor rijke grondbezitters uit de stad afbepaald. Op die manier verbreedde zich de kloof tussen arm en rijk en de macht van de kleine, heersende klasse steeg drastisch. Aan het democratiseringsproces, dat in de vierde eeuw op gang was gekomen, werd een halt toegeroepen en het werd teruggeschroefd. Rome stevende nu recht af op een politiek van agressief imperialisme. Door de oorlogen met Carthago waren de Romeinen meesters in het oorlog voeren geworden. Daardoor zouden zij later de heersers worden over het westen.

In 200 v. Chr. landde een kleine Romeinse legereenheid in Illyrië om een invasie van Thessalië, waar het Macedonische leger de dienst uitmaakte, te beginnen (Tweede Macedonische oorlog: 200-197 v. Chr.). 

In 153 v. Chr.) bracht een Romeinse onderzoekscommissie een bezoek aan Carthago. Cato, die tot de leden behoorde, was diep onder de indruk van de commerciële welvaart van de stad en was ervan overtuigd dat ze opnieuw tot Romes rivale was uitgegroeid. Hij probeerde de Romeinse Senaat dan ook tot een aanval te bewegen. Het verhaal gaat dat hij bij zijn terugkeer de Senaat een tros Afrikaanse vijgen toonde, die nog vers waren, ten bewijze van de natuurlijke rijkdommen van Afrika en om erop te wijzen dat Carthago slechts drie dagen reizen van Rome verwijderd was. Sindsdien besloot hij al zijn redevoeringen in de Senaat af met de zinsnede: "Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden". Een aanleiding tot oorlog vonden de Romeinen, toen de Carthagers zich teweer stelden tegen Massinissa van Numidië, die de hen voortdurend bestookte. 
De Romeinse Senaat beschuldigde Carthago ervan het vredesverdrag met Rome te hebben geschonden. De Carthagers leverden hun vloot en wapens nog uit om aan de eisen van de Romeinen te voldoen, maar daarop besliste de Senaat dat de Carthagers hun stad moesten afbreken om haar op 15 kilometer van de kust weer op te bouwen. Het niet inwilligen van dit onmenselijke bevel leidde tot het driejarig beleg en de volledige verwoesting van Cartago in 146 v. Chr. door Scipio Aemilianus (Derde Punische Oorlog, 149 - 146 v. Chr.). Het gebied werd een Romeinse provincie, Africa
Massinissa (c.238–148 v. Chr., koning van Numidië was ca. 207 v. Chr. zijn vader opgevolgd als koning van Oost-Numidië. Hij groeide op in Carthago, vocht mee in een Cartaagse camagen in Spanje tijdens de Tweede Punische Oorlog, maar koos in 206 v. Chr. de kant van de Romeinen. Nadat hij zijn oude rivaal Syphax, de koning van West-Numidië had verslagen, voegde hij zich bij Scipio Africanus Major en voerde zijn cavalerie aan tijdens een beslissende charge in de slag bij Zama (202), die een einde maakte aan de oorlog. Rome beloonde hem met Punisch gebied ten oosten van Carthago. 

Links: Massinissa

Zijn tragische relatie met Sophonisba aan het eind van de Tweede Punische Oorlog is onderwerp geweest van vele literaire interpretaties. Tijdens zijn lange regering breidde hij zijn macht steeds verder uit en veranderde zijn land van een woelig stammenrijk in een welvarend koninkrijk. 

rechts: Scipio Africanus

In 148 v. Chr. werd begonnen met de aanleg van de Via Postumia van Genua, dwars door de Po-vlakte, naar Aquileia aan de Golf van Venetië. Deze weg liep van Genua, over de Apennijnen, 400 km dwars door de Po-vlakte naar het oosten via Dertona (Tortona) naar Piacenza, met een brug de Po over naar Cremona en verder naar Verona en Vicetia (Vicenza) vervolgens naar boven Tarvisum (Treviso) langs, door naar Aquileia aan de Golf van Venetië. Deze heirweg was allereerst bedoeld om snel troepen te kunnen verplaatsen. Zo kon het uitgestrekte gebied worden gecontroleerd en kon aan eventuele opstanden door de Gallische en Keltische bevolking snel de kop in worden gedrukt. Daarnaast ontsloot deze weg Noord-Italië voor de handel en de verworvenheden van de Romeinse landbouw, weg- en stedenbouw en kunst. 

Onder de gebroeders Gracchus vonden landhervormingen plaats (133-122). Tiberius Sempronius Gracchus (168 - 133 v. Chr.), die als officier onder het bevel van zijn zwager Scipio vóór Carthago had gediend in de Derde Punische Oorlog, had met eigen ogen gezien dat de boeren in Etrurië van hun land werden verdreven door grootgrondbezitters en verpauperden in de sloppenwijken van Rome wilde aan deze wantoestand een einde maken. In 133 v. Chr. stelde hij als tribuun met steun van enkele senatoren een wet voor, die het bezit van staatsgronden (dwz grond dat door oorlogen was veroverd) binnen de perken moest houden. Deze wet wekte grote wrevel bij de lobby van de landeigenaars. 

Tiberius' collega Marcus Octavius, door  enkele senatoren-grootgrondbezitters omgekocht en overgehaald zijn veto over het voorstel uit te spreken, waarop Tiberius hem - in strijd met de traditie - door de volksvergadering liet afzetten, zodat de wet toch kon aangenomen worden. Met het oog op de verdere ontwikkelingen wilde Tiberius zich opnieuw verkiesbaar stellen als tribunus voor het volgende jaar, wat wettelijk niet was toegestaan. De conservatieve oppositie in de Senaat greep toen naar de grove middelen en beschuldigden Tiberius ervan naar de tirannie te streven. Een gewapende straatbende, onder de leiding van zijn eigen neef, de Pontifex Maximus en oud-consul Scipio Nasica, familie van Tiberius, drong een verkiezingsbijeenkomst op het Capitool binnen en lynchte Tiberius Gracchus samen met een driehonderdtal van zijn aanhangers. Later zag men Tiberius' lijk in de Tiber afdrijven. De senaat was de toestand weer meester.  Tiberius Sempronius Gracchus III - Wikipedia

In 121 veroverde Rome het zuiden van Gallië. 
Oorlog met de Noord-afrikaanse koning Jugurtha (112-106)

Rome (100 - 43 v. Chr.)

laatst gewijzigd: 01-02-07

colofon