3091

Macedonië en Griekenland (200 - 148 v. Chr.)

Het rijk van Lysimachus (306 - 200 v. Chr.)

In 199 stuurde Rome een expeditie naar Macedonië. Officieel kwam men de Griekse steden te hulp, maar eigenlijk kwam men Phipippos V straffen voor zijn hulp aan Hannibal en om zijn bedreiging voor Italië's oostkust ongedaan te maken. Om de dreiing van Macedonië het hoofd te beiden had Rome al sinds de Eerste Macedonische oorlog diplomatieke betrekkingen aangeknoopt met een aantal Griekse stadsstaten. Nu kon men ook nog rekenen op de steun van Ptolemaeus V (202-180) van Egypte, die zijn Egeïsche bezittingen veilig wilde stellen.

Philippus, die zich langzaam ingesloten voelde, nam het initiatief in handen en viel Griekenland binnen. Daar hij weinig tegenstand ondervond, had hij Attica al bereikt toen Rome's bondgenoten haar om hulp vroegen. In de volksvergadering stemden de vermoeide Romeinen eerst tegen het voorstel om Philippus de oorlog te verklaren, maar toen zij zich realiseerden dat Italië misschien verdere oorlogsverschrikkingen op eigen bodem bespaard zouden blijven, als de strijd nu in Griekenland aangebonden werd, gaven zij de Senaat uiteindelijk toestemming om de oorlog te voeren. Deze Tweede Macedonische oorlog (200 - 196) bracht voor het eerst een Romeinse troepenmacht op Griekse bodem.

In 200 v. Chr. landde een kleine Romeinse legereenheid in Illyrië om een invasie van Thessalië, waar het Macedonische leger de dienst uitmaakte, te beginnen. In 198 v. Chr. veroverden de Romeinen Eretria.  

Aanvankelijk kreeg geen van beide partijen echt de overhand, totdat in het derde oorlogsjaar (197 v. Chr.) de Romeinse legioenen onder leiding van consul Titus Quintius Flaminianus kwamen te staan. Allereerst regelde hij een gesprek met Philippus in Epirus om over de teruggave aan de Griekse stadstaten van hun vrijheden te onderhandelen. Philippus verklaarde dat hij bereid was een overeenkomst te sluiten totdat de consul duidelijk maakte dat hij ook Thessalië, dat door de vader van Alexander de Grote aan Macedonië toegevoegd was, onder de Griekse staten rekende die hun vrijheid terug moesten krijgen. Omdat Flaminianus zag dat verder onderhandelen geen zin had en omdat hij kost wat kost wilde vermijden dat de Romeinen in de Griekse politieke twisten verwikkeld zouden raken, brak hij de onderhandelingen af. Hij besefte dat hij alleen door de Macedoniërs in een veldslag beslissend te verslaan de oorlog snel beëindigd kon. Nadat Philippus woedend de conferentie tafel had verlaten voegde beide aanvoerders zich bij hun leger. Philippus trok zich met zijn leger naar Thessalië terug, op de voet gevolgd door Flamininus. Door een weinig bekende bergweg te nemen, slaagde Flaminianus erin Philippus te verrassen en terug te dringen. De Macedoniërs trokken zich in de onneembare Tempelkloof terug en in de herfst was de rest van Thessalië geheel in Romeinse handen. Dankzij Flamininus’ succes werd zijn commando verlengd, zodat het hem mogelijk gemaakt werd zijn werk voort te zetten.
Voor het eerst zouden de Romeinen de strijd aanbinden met het Macedonische leger, waarvan de opleiding en tradities terug gingen naar het tijdperk van Philippus II en Alexander de Grote. De vorige ontmoeting met de Griekse phalanx van Pyrrhus had geen duidelijke winnaar opgeleverd. Nu zouden de Romeinen echt moeten laten zien dat hun manier van oorlogvoering superieur was. De Romeinse en Macedonische legers kwamen in 197 v. Chr. met elkaar in botsing in de buurt van Pherae op het zuidelijke uiteinde van de heuvelrug, Cynoscephalae (de hondenkoppen), die dwars van noord naar zuid door de grote vlakte van Thessalië loopt.

De Macedonische phalanx bestond uit 16.000 man, die in 16 ruien dicht op elkaar stonden en met lange speren waren gewapend. De speren werden zo gehouden, dat die van de eerste vijf rijen een muur van stalen punten vormden. De elf volgende rijen hielden hun schilden schuin boven de hoofden van hun voorgangers om hen tegen pijlen te beschermen. De soldaten in de phalanx marcheerden zo dicht op elkaar, dat ze alleen maar rechtuit konden gaan. Hun speren konden ook slechts in die ene richting gebruikt worden. Het was dan ook van het allergrootste belang dat de Phalanx niet van opzij of in de rug werd aangevallen. In de dagen van Pyrrhus hadden de Romeinen de phalanx gevreesd, maar nu niet meer. Ze waren lichter bewapend en konden zich vlug bewegen en hadden geleerd hoe ze in zulk geval moesten handelen.

Ondanks het slechte terrein ging Philippus tot de aanval over. Hij stelde zijn rechtervleugel op in de phalanx en leidde die
naar de vijandelijke linkervleugel. De compacte massa soldaten kwam met zulk een onweerstaanbare kracht de helling af, dat de Romeinen uiteengedreven werden. Voor Philippus echter zijn linkervleugel op het moeilijke terrein op kon stellen, hadden de Romeinen die aangevallen en op de vlucht gejaagd. In plaats van de soldaten te achtervolgen, zoals de anderen deden, voerde een tribuun, op eigen initiatief, zijn eigen eenheden naar de achterzijde van de phalanx op de rechter vleugel. Het resultaat was een overtuigende Romeinse overwinning: 8000 Macedoniërs sneuvelden en 5000 van hen werden gevangen genomen.
De onoverwinnelijke Macedonische phalanx had eindelijk, zij het op ongeschikt terrein, het onderspit gedolven tegen een nieuwe, beweeglijke manier van strijd leveren, die de Romeinen vele eeuwen eerder van de bergstammen in Italië hadden geleerd en vervolgens in de lange strijd tegen Hannibal hadden geperfectioneerd. Drie jaar waren voldoende geweest om de Macedonische monarchie te schrappen uit de reeks van grote mogendheden. Philippus verzamelde de resten van zijn leger en vluchtte. Hij besefte dat het weinig nut had de strijd voort te zetten en met de rest van zijn leger trok hij daarom naar zijn eigen gebied terug. De Romeinse overwinning maakte niet alleen een einde aan de vijandelijkheden in Griekenland, maar ook koning Antiochus III van Syrië, die Klein-Azië binnen getrokken was om Philippus te hulp te komen, werd erdoor tot stilstand gebracht. Het vijandig optreden van Antiochus III bevestigde de Senaat in zijn vermoeden dat op een later tijdstip ook hij onder handen genomen zou moeten worden. Naast de betaling van 5000 talenten wegens geleden oorlogsschade en de uitlevering van zijn vloot op 6 schepen na, moest hij zijn overwinnaars verzekeren dat hij zijn politieke interesse voortaan zou beperken tot Macedonië. 

Rechts: Antiochus lll

Flaminianus werd in Griekenland als held vereerd. Via een proclamatie tijdens de Isthmische Spelen in 196 in Korinthe riep hij onafhankelijkheid uit van de Griekse steden onder groot enthousiasme van de toehoorders. Twee jaar later (194 v. Chr.), toen de grenzen van de Griekse staten tot zijn bevrediging waren veiliggesteld, werd heel Griekenland inderdaad door de invasietroepen ontruimd. Rome ging niet over tot toe-eigening van de veroverde gebieden, ze waren tevreden met de feitelijke macht. Het was toen al duidelijk dat het Griekenland van voor Alexander de Grote niet meer zou terugkeren. In 196 werd ook het Rijk Macedonië gesplitst: Philippus mocht de oude kernstreek Macedonië behouden en werd in feite een Romeinse cliënt-koning. De Griekse steden werden onafhankelijk onder de
bescherming van de Romeinse Senaat.

De strijd op de zuidelijke Balkan was door de Romeinen met de meest onmenselijke wreedheid gevoerd en had de welvaart van de Grieken volkomen ten gronde gericht. De Grieken kregen van de Romeinen zelfbestuur, want zij zagen wel in dat de Griekse driftkoppen moeilijk vanuit Rome waren te besturen. Rome had op dat moment geen behoefte om verder te gaan dan het stichten van vrede. Maar Antiochos lll (242-187 v. Chr.) van Syrië gooide roet in het eten door in 192 v. Chr. Thessalië binnen te vallen. 

Weer werd een Romeinse legermacht overgebracht en in 191 v. Chr. werd de agressor verslagen bij de beruchte pas Thermopylae in Aetolia  in midden Griekenland, een smalle weg door de bergen naar Attica en zo naar Athene, waar tijdens de tweede Perzische invasie onder Xerxes van Perzische de Grieken de Perzen in 480 v. Chr. wisten tegen te houden. (z. Perzische rijk (490-482)

Rome had er nu mee kunnen volstaan af te rekenen met de staten die Antiochus' kant hadden gekozen en daarna Griekenland aan haar lot kunnen overlaten. Maar, of het dat wilde of niet, Rome werd nu in de Griekse politiek betrokken en de kleinzielige kibbelpartijen tussen concurrerende Griekse staten vergden de aandacht van de ene Romeinse commissie na de andere. Bij Magnesia kwam het in 190 v. Chr. tot een beslissende slag, waarbij L. Cornelius Scipio en zijn broer Scipio Africanus Antiochus' strijdmacht een verpletterende nederlaag toebrachten. Na de inname van Ambracia aan de westkust van Aetolia in 189 v. Chr. werd de Aetolische Bond opgeheven. Een jaar later werd de vrede Apamea gesloten. Antiochus werd gedwongen 15.000 talenten te betalen in 12 jaarlijkse termijnen, zijn oorlogsvloot uit te leveren op 10 schepen na en de bezittingen in Asia Minor af te staan aan Rhodos en Pergamon. Dit laatste rijk was niet daarmee niet alleen een krachtige bondgenoot, maar fungeerde tevens als Romeinse bufferstaat tegen zowel Macedonië als Syrië. 

Een jaar of wat later begon de Macedonische macht opnieuw toe te nemen en daarmee werd de situatie wederom gespannen. Opnieuw riepen Rhodos en Pergamon Rome tussenbeide. In 172 v. Chr. verklaarde Rome Macedonië de oorlog met als onvermijdelijk gevolg dat Macedonië bij het Romeinse rijk werd ingelijfd. Ook nu weer schrok Rome ervoor terug het gezag rechtstreeks in handen te nemen. Zij gaf er de voorkeur aan Macedonië te verdelen in vier autonome gebieden, terwijl de Griekse staten die de zijde van de Macedoniërs hadden gekozen, streng werden aangepakt. In 164 v. Chr. bezetten de Romeinen Macedonië en in hetzelfde jaar vielen zij ook Thracië binnen, na eerst de Odrysen en vervolgens de andere Thracische stammen te hebben geholpen volgens het aloude Romeinse motto "verdeel en heers". 

De politieke oplossing (de verdeling van Macedonië in vier autonome gebieden) was op zijn best een tijdelijke remedie en in 149 v. Chr. nam Macedonië andermaal de wapenen op. Rome had geen keus: het volgende jaar werd de opstand neergeslagen en Macedonië werd een Romeinse provincie (148 v. Chr.).

Dacia - Moesia - Thracia (148 - 100 n. Chr.)

laatst bijgewerkt: 17-03-03

colofon