142 |
Planten in het Siluur (443,7 - 409 miljoen jaar geleden) |
![]() |
Het merendeel van de Silurische planten bestond uit Wieren. (Bruin-, Rood- en Groenwieren, die ontstaan waren in het Ordovicium. Ook op het land verschijnt een uitgebreide flora. het zijn voornamelijk Sporenplanten, maar ook planten met een vaatstelsel doen hun intrede. Door dit vaatstelsel konden deze planten bouwstoffen uit de lucht en de aarde naar elk deel transporteren. Dit had tot gevolg dat zij sterk in omvang konden toenemen.De planten met vaatstelsel namen langzaam een belangrijke plaats in de ontwikkeling van het plantenleven in. Gesteente uit Wales en Ierland die in het Siluur deel uitmaakten van het continent Avalonia tonen de vroegst bekende fossielen van planten die groeiden op het land. Het aantal bekende soorten uit deze tijd is echter erg klein. De plantenresten uit het Siluur van de Midland Valley zijn vrijwel onherkenbaar en niet op naam te brengen. Mogelijk waren het niet eens landplanten. De vroege vaatplanten die zich ontwikkeld hadden uit de Groenwieren waren de voorouders van alle planten met vaatbundels. Deze vaatbundels dienen voor het transport van water en voedingsstoffen naar alle delen van de plant alsook voor de stevigheid. Ze waren van groot belang voor de ontwikkeling van (grotere) moeras- en landplanten uit waterplanten, evenals de vorming van huidmondjes en luchtsporen. |
![]() |
![]() |
Het is onduidelijk hoe de allereerste vaatplanten er precies uitgezien hebben. Een mogelijke vertegenwoordiger van deze hypothetische groep is Aglaophyton major. Deze ca. 20 cm hoge plant had liggende stengels met schijnworteltjes (rhizoïden) en ca. 2-6 mm dikke rechtopstaande, vorkvormig vertakte stengels met eindelingse sporendoosjes (sporangia). De dikwandige vaatbundelcellen bezaten nog geen ring- of spiraalvormige wandverdikkingen, zoals bij andere vaatplanten, maar leken precies op de watervoerende cellen die bij mossen worden aangetroffen. Aglaophyton major (tot 1986 bekend als Rhynia major) is gevonden in hoornsteen (Eng. chert) uit het Vroeg-Devoon (ca. 410-390 miljoen jaar geleden) bij het Schotse plaatsje Rhynie. Wellicht bestond de soort al eerder of had althans oudere groepsgenoten die reeds in het Siluur (ca. 440-410 miljoen jaar geleden) voorkwamen. Vroege vaatplanten worden overigens ook wel tot de Rhynia's gerekend.
(Natuurinformatie - Vroege vaatplanten) Links: Reconstructie van de Aglaophyton major, (Rhynie II) |
Rhynia's of Rhynia-achtigen (Rhyniophyta, Rhyniopsida) zijn uitgestorven vaatplanten, die leefden gedurende het Siluur en Devoon (ca. 440-360 miljoen jaar geleden). Het zijn de best bewaard gebleven vroege landplanten. Rhynia's hadden een liggende wortelstok, met verticale stengels met gevorkte vertakkingswijze. De stengels hadden geen bladeren. De sporendoosjes (sporangia) stonden stuk voor stuk aan het uiteinde van de opstijgende stengels. Tot deze groep behoren o.a. Cooksonia hemisphaerica (Siluur) en Rhynia gwynne-vaughanii (Devoon). Deze laatste heeft zijn eerste naam (geslachtsnaam) te danken aan een belangrijke vindplaats van deze fossiele planten bij het dorp Rhynie in Midden-Schotland. (Natuurinformatie - Rhynia's) |
![]() |
![]() |
De eerste met het blote oog zichtbare fossielen van landplanten dateren uit het Midden-Siluur van Ierland. Ze zijn zo'n 425 miljoen jaar oud. Het zijn kleine vertakkinkjes van een paar centimeter lang. Pas in het allerlaatste deel van het Siluur (410 miljoen jaar geleden) worden de fossielen van landplanten algemener en ook completer.
De bekendste plant uit die tijd heet Cooksonia, zo genoemd naar Isabel Cookson, die zich intensief met het verzamelen en beschrijven van plantenfossielen heeft beziggehouden. Het plantje was enkele centimeters hoog en zag er heel simpel uit: een stengeltje dat zich enkele malen vorkvormig vertakte met bovenaan kleine bolletjes, waarin sporen gevormd werden. Sporangia dus. Geen blaadjes, geen bloemen, geen zaden. Die bestonden nog niet. En wortels heeft men van deze plant ook nooit gevonden. Waarschijnlijk werd de functie van de wortels waargenomen door horizontaal groeiende stengels, die hier en daar met wortelhaartjes aan de grond vastzaten. Maar zeker is dat niet want er zijn geen fossielen gevonden die dat aantonen. Gedurende vele miljoenen jaren was het voornamelijk dit soort plantjes dat op vochtige plekken op het land groeide. |
De evolutie van algen naar landplanten is een lange weg geweest. Er moest aan vele voorwaarden worden voldaan, voordat de planten het op het land konden volhouden. Zo dreigt op land natuurlijk voortdurend uitdroging. De remedie die zich daartegen ontwikkeld heeft, is een wasachtig laagje op de buitenkant van de plant: de cuticula. Algen hebben in het algemeen geen cuticula, bijna alle landplanten hebben er wel een. Maar een landplant moet ook kunnen ademhalen en hij moet koolzuurgas uit de lucht kunnen opnemen om er zijn bouwstoffen van te maken. De afsluiting door de cuticula mag dus niet absoluut zijn. Daarvoor hebben zich huidmondjes ontwikkeld, die naar behoefte geopend en gesloten kunnen worden. Een ander probleem van landplanten is dat ze de opwaartse kracht van het water moeten ontberen. Om rechtop te kunnen staan, is steunweefsel nodig. Ook al bij Cooksonia is vastgesteld er houtvaten in de stengel zaten. Dat zijn vaten met ringvormige of spiraalvormige verdikkingen op de wanden, die voor stevigheid zorgen. Door deze vaten gaat het watertransport van de bodem naar de plantencellen. Cooksonia-soorten worden op verschillende plaatsen op aarde gevonden, o.a. in Wales, Schotland, Engeland, Tsjechië en Canada. Het vinden van een tamelijk complete plant is een zeldzaamheid. Ik was dan ook heel blij met tweemaal vertakte plantje met drie sporangia van de foto. Cooksonia is ergens in het Vroeg-Devoon uitgestorven. |
![]() |
Een plant, die Cooksonia in ouderdom naar de kroon steekt, is Baragwanathia longifolia. De ouderdom van deze wolfsklauwachtige heeft tot veel discussie geleid, maar nu wordt aangenomen dat het oudste materiaal uit het Vroeg-Ludlow (vanaf 420 miljoen jaar) is. De zich regelmatig vertakkende stengels zijn 10 tot 20 cm lang en zijn bedekt met lange en smalle, naaldvormige blaadjes. Soms zijn de sporangia aanwezig en stengeldoorsnedes tonen vaatbundels zoals bij andere hogere planten. De plant is opmerkelijk hoog ontwikkeld gezien zijn ouderdom. Baragwanathia longifolia is uitsluitend bekend uit Australië. |
Raadselachtige planten
Ten tijde van de eerste Cooksonia's heeft zich nog een heel andere groep planten ontwikkeld, die geprobeerd heeft het land te koloniseren. Het zijn planten die de wetenschappers nog steeds voor raadsels plaatsen: Nematothallus, Parka en Pachytheca. Waarschijnlijk zijn deze en vergelijkbare algachtige planten te beschouwen als een evolutionair experiment om het land te koloniseren. Het lijkt erop dat het een doodlopende weg is geweest. Het is niet onwaarschijnlijk dat deze planten de toenemende concurrentie met de succesvolle hogere planten niet hebben aangekund. Bron: De oudste landplanten Pachytheca, een vreemd, plantaardig bolletje In afzettingen van het Boven-Siluur en het Onder-Devoon worden kleine, soms glanzende bolletjes gevonden. Ze zijn 1 tot 6 mm in doorsnede en hebben een karakteristieke inwendige structuur. Hooker gaf ze in 1853 de naam Pachytheca, wat 'dik sporangium' betekent. Eerder werden ze als onderdelen van een vissengebit of als zaadachtige objecten gezien. Vanaf 1889 hield Hooker de bolletjes voor algen of algenkolonies en ook nu ziet men ze als algachtige organismen. (Pachytheca, een vreemd, plantaardig bolletje) Tegen het eind van het Siluur was er een wijde schakering aan plantensoorten, variërend in verschillende grootte, van zeer lage kruipplanten tot zee hoge woudreuzen.
laatst bijgewerkt: 14-11-06 |