137 Roodwieren (Rhodophyta)
Eukaryoten Wieren (Algen) Roodwieren (Rhodophyta)

In het Ordovicium ontwikkelden zich uit de eerste Eukaryoten de Roodwieren (Rhodophyta (v. Gr. rhodon = roos, phuton = plant). Het zijn voornamelijk zeewieren en worden gekenmerkt door de kleurstoffen in de cellen, t.w. chlorofyl a (soms ook chlorofyl d), carotenoïden, xantofylsoorten, alsmede een speciale groep, de fycobilinen, nl. r-fycoërythrine (rood) en r-fycocyanine (blauw). Het fycoërythrine overheerst meestal en geeft de wieren een rode of roodpaarse kleur. Als reservevoedsel wordt florideeënzetmeel (amylopectine) en floridoside (verbinding van galactose en glycerol) geproduceerd, stoffen die specifiek zijn voor de Roodwieren.

Bij de Roodwieren komen geen actief beweeglijke cellen voor. Het vrouwelijk geslachtsorgaan is een cel met een lang uitgetrokken punt (trichogyn) en heet carpogonium. Op enkele soorten na zijn de thalli meercellig, soms met een vrij complexe structuur. De celwand kan veel kalk bevatten; deze kalkroodwieren maken vaak een groot deel uit van koraalriffen. Bij veel soorten kan uit de celwandbestanddelen agar-agar of carrageen worden gewonnen. Vooral door de eerstgenoemde stof zijn de Roodwieren economisch belangrijk.

Er zijn ca. 400 geslachten met totaal 4000 soorten bekend. De meeste soorten leven in zee (met de grootste soortenrijkdom in de warmere zeeën), een gering aantal in zoetwater, enkele soorten komen op het land voor. Ze komen voor van de getijdenzone tot op grote diepte (120 m) en zijn vrijwel altijd vastgehecht. Enkele soorten worden hier en daar gegeten (o.a. Porphyra-soorten).

Rechts: Iers Mos.
 Iers mos is een roodwier dat goed bestand is tegen droog vallen. Door middel van een slijm laag beschermt hij zich tegen uitdrogen door de zon. Ook kan hij tegen weinig licht dus komt hij ook op diepere plaatsen voor.

Laatst bijgewerkt: 16-03-08

colofon