114

Protozoa (Eencellige eukaryotische levensvormen)

Eukaryoten Protozoa

Protozoa zijn eencellige eukaryotische levensvormen waarbij alle levensfuncties zijn verenigd in één cel,. Het zijn organismen die zich niet door fotosynthese voeden. Tot voorheen werden de Protozoa gezien als een stam (Phylum) van het Dierenrijk, maar tegenwoordig worden zij samen met de eencellige planten geplaatst in het domein der Eukaryoten

In de naam Protozoa (v. Gr. prootos = eerste, zoo-on = levend wezen, dier) schuilt de veronderstelling, dat deze stoffijne wezentjes de eerste aardbewoners zouden geweest zijn. Dat is inmiddels natuurlijk achterhaald.
De Protozoa vormen een zeer heterogene groep
en omvat ca. 45.000 soorten (waarvan 20.000 fossiele). De meeste soorten zijn microscopisch klein en komen overal voor waar vocht is. In zoet water en in zee vormen zij een belangrijk bestanddeel van het plankton. Protozoa zijn niet alleen zeer divers, maar ook moeilijk van andere levensvormen af te bakenen. Er zijn vrij eenvoudig gebouwde maar ook verrassend gecompliceerde vormen. Toch komen ze allen overeen door hun eencellige bouw. Mede door deze eencelligheid zijn zij beperkt in afmeting, daar er bij het groter worden mechanische en fysiologische gebreken zouden gaan optreden. Morfologisch komen ze overeen met een cel uit een hoger organisme, maar biologisch staat dit eencellig wezentje op een veel hoger peil dan een cel uit een meercellig wezen : het is immers tot alle noodzakelijke levensverrichtingen (zoals. voeding, uitscheiding en voortplanting) in staat, het is wat dit betreft 'totipotent'. Alle levensfuncties spelen zich binnen één celmembraan af. Verschillende delen van het cytoplasma hebben elk een bepaalde functie; deze delen noemt men – naar analogie van de organen bij meercellige organismen – organellen. Ook als deze eencelligen zich tot vaste kolonies aaneensluiten, geven de afzonderlijke cellen hun individualiteit niet prijs, wat bij meercelligen juist wel het geval is. Meercellige dieren hebben voor de verschillende levensfuncties gespecialiseerde cellen of weefsels. De cel van de eencellige levensvormen is feitelijk dus gecompliceerder dan enige lichaamscel van de hogere (meercellige) dieren.

Haeckel (1894)
Drie rijken
Whittaker (1959)
Vijf rijken
Woese (1977)
Zes rijken
Woese (1990)
Drie superrijken (domeinen)
Protista Prokaryoten (Eubacteriën) Eubacteriën Bacteria
Archaebacteriën Archaea
Protista Protista Eukaryoten
Planten Schimmels Schimmels
Planten Planten
Dieren Dieren Dieren

Bouw 
Elke protozoë heeft één of meer kernen. Het meest naar buiten gelegen cytoplasma (ectoplasma) is veelal gelatineus (gel) en betrekkelijk doorzichtig, in tegenstelling tot het meer naar binnen gelegen endoplasma, dat vloeibaarder is (sol) en een gekorrelde structuur vertoont. De structuur van het cytoplasma is sterk afhankelijk van milieuomstandigheden, zoals osmotische waarde, temperatuur en pH. De celwand kan dun en elastisch zijn, als bij de amoeben; vaak is de celwand echter een verdikte membraan (pellicula) en hij bestaat meestal uit tectine. Vele Zweepdiertjes hebben een wand van cellulose. Ook wordt wel kalk (bij Foraminiferen) of kiezel (bij Radiolaria) in de wand afgezet.

Ademhaling 
Door de geringe afmetingen kunnen de opname van zuurstof en de afgifte van koolzuurgas rechtstreeks door diffusie plaatsvinden.

Voeding 
Vele protozoën kunnen opgeloste organische stoffen over het hele lichaamsoppervlak opnemen, vooral de parasitaire soorten. Een dergelijke voedingswijze noemt men saprozoïsch. Echte voedingsorganellen komen voor bij de zich holozoïsch voedende soorten; deze nemen hele organismen of dode delen in hun voedselvacuolen op. Men kan hier vaak spreken van een celmond (cytostoma). Bij de Wortelpotigen wordt het voedsel door schijnvoetjes omhuld. Er kan hier op elke plaats van de celwand een voedselvacuole gevormd worden. In de voedselvacuole vindt de vertering plaats. De Protozoa zijn over het algemeen heterotroof (voeding met organische stoffen); enkele groepen, die men ook tot het Plantenrijk rekent, hebben bladgroen en zijn autotroof (voeding uitsluitend met anorganische stoffen).

Uitscheiding 
Als uitscheidingsorganellen fungeren de contractiele vacuolen, die vooral een rol spelen bij de regeling van de waterhuishouding. Contractiele vacuolen komen vooral voor bij zoetwatersoorten, aangezien daar door verschillen in osmotische waarde voortdurend water de cel binnendringt. Bij de infusoriën bezitten zij toevoerende buisjes, die zich periodiek in een vacuole legen; ook deze voeren het water door periodiek samentrekken naar buiten.

Cystevorming
Onder ongunstige omstandigheden en bij sommige voortplantingsprocessen (zie Sporozoa) omhult het dier zich met een stevige membraan, die verlaten wordt zodra de omstandigheden gunstig worden.

Voortplanting 

Ongeslachtelijk 
Ongeslachtelijke voortplanting door deling in twee gelijke dochtercellen komt het meest voor. Bij een uitgesproken ongelijke deling kan men van knopvorming spreken, vooral bij vastzittende soorten. De dochtercel zorgt dan voor de verspreiding.
Celdeling en kerndeling kunnen ook ongelijktijdig verlopen, waarbij zich twee mogelijkheden voordoen:

  • na een aantal kerndelingen deelt de cel zich in evenveel dochtercellen als er kernen zijn (multipele deling, bijv. bij Sporozoa);

  • sommige veelkernige amoeben delen zich zonder kerndeling (plasmotomie), waarna door kerndelingen het oorspronkelijke aantal kernen weer wordt bereikt. Kolonievorming kan bij sommige soorten optreden door incomplete delingen.

Geslachtelijk 
Bij de geslachtelijke voortplanting versmelten twee (gelijke) individuen, die kunnen gelijken op de vegetatieve vorm (hologamie). Meestal treden echter afwijkende individuen op, die gameten genoemd worden (merogamie); als er één type gameet is, spreekt men van isogamie, als er verschillen zijn in vorm en grootte, van anisogamie en ten slotte van spermatozoïde en eicel (resp. de mannelijke en de vrouwelijke gameet). De reductiedeling (meiose) kan optreden bij de vorming van de gameten (bij infusoriën en bepaalde flagellaten) of direct na de vorming van de zygote (bevruchte eicel) (o.a. bij de Sporozoa).

De meeste Protozoa zijn alleen onder een microscoop zichtbaar bij een vergroting van 100 of 200x. Hun afmetingen liggen tussen 10 en 100 micron. 
Sommige soorten zijn groot genoeg om met het blote oog gezien te kunnen worden, zoals de witte-stipparasiet (Ichthyophthirius; als deze aan een vis gehecht zit. Protozoa komen voornamelijk voor in vochtige milieus, maar sommige soorten kunnen ook droge omstandigheden overleven door het vormen van cysten, beschermende omhulsels of schalen.

De meeste protozoa leven vrij, maar er zijn onder de 30.000 of meer soorten ook parasitair levende soorten. Deze parasieten hebben soms een eenvoudige levenscyclus met maar één gastheer. Er zijn ook soorten die tijdens hun ontwikkeling verscheidene tussengastheren nodig hebben.

 

Het lichaam van een eencellig diertje bestaat uit een klompje cytoplasma met een kern (soms verscheidene) erin. 
Er is een contractiele vacuole, een vloeistofblaasje dat regelmatig samentrekt en water naar buiten pompt. Soms zijn er trilhaartjes of ook wel zweepdraden die worden gebruikt voor voeding en beweging De vermenigvuldiging heeft bij veel soorten plaats door deling, maar ook geslachtelijke voortplanting komt bij sommige
soorten voor.  Er zijn protozoa die moeilijk van planten te onderscheiden zijn omdat ook zij een pigment voor fotosynthese -zoals chlorofyl - bezitten. 

Protozoa worden volgens de manier waarop ze zich voortbewegen in vier groepen verdeeld.

  1. Flagellata (Zweepdiertjes). Zij verplaatsen zich d.m.v. zweepharen (flagellen). Een zweephaar ziet er uit als een klein staartje.
  2. Ciliata of Trilhaardiertjes. Zij verplaatsen zich d.m.v. trilharen. De Ciliata worden door sommigen ingedeeld bij het rijk Alveolates
  3. Rhizopoda (Amoebozoa; Sarcodina) Deze amoebeachtigen verplaatsen zich d.m.v. plasma-uitstulpingen. We kunnen ze vergelijken met een ballon gevuld met water die je vooruit duwt op de tafel.Vooraan komt er ballon bij en achteraan neemt er ballon af. De witte bloedcellen van mensen bewegen op exact dezelfde manier.
  4. Sporozoa of sporediertjes. Deze meestal ronde organismen bewegen zich niet voort. Ze hechten zich vast of drijven met de stroom mee, en slokken alle eetbare dingen in hun omgeving op. 

Protozoa - Wikipedia

Trilharen
Voorbeelden van trilhaardiertjes: pantoffeldiertje, klokdiertje, trompetdiertje,...
We kunnen ze onder de lichtmicroscoop goed herkennen doordat ze bewegen volgens de wet van trial and error (gissen en missen). Ze bewegen zich vooruit en als ze ergens tegen bosten keren ze terug, om dan opnieuw vooruit te bewegen, maar dan een klein beetje meer naar links (of rechts).

links en rechts: pantoffeldiertje met kloppende vacuole

Onder een lichtmicroscoop is goed te zien dat ze bewegen volgens de wet van trial and error (gissen en missen). Ze bewegen zich vooruit en als ze ergens tegen bosten keren ze terug, om dan opnieuw vooruit te bewegen, maar dan een klein beetje meer naar links (of rechts).

  1. Sporozoa of Sporendiertjes

Bij een andere indeling van het rijk Protozoa worden twee superklassen (superclassis) onderscheiden:

A. Cytoidea

Klassen:

  1. Ciliophora of Ciliata (Ciliaten, Trilhaar- of Wimperdiertjes)
  2. Suctoria
B. Cytomorpha: eencellige dieren waarbij de cel slechts 1 kern bevat die alle levensprocessen in de cel stuurt. De superklasse Cytomorpha bestaat uit drie klassen (classis):
  1. Mastigophora (Flagellata of Zweepdiertjes)

Eén of meer flagella , soms parasitisch ; mogelijk de voorouders der andere groepen

2. Sarcodina of Rhizipoda

Laatst bijgewerkt: 26-01-07

colofon