108 | Fotosynthese |
![]() |
Uit de Prokaryotische levensvormen evolueerden in het Randian (2800 - 2450 miljoen jaar geleden) de eerste organismen die gebruik maakten van fotosynthese. Planten maken hun voedsel zelf. Met water dat ze met behulp van hun wortels halen uit de bodem en met kooldioxide dat ze via hele kleine gaatjes in de bladeren opvangen uit de lucht spelen planten het klaar hun voedsel dat ze nodig hebben (suikers) zelf aan te maken. Om die suikers te kunnen maken hebben planten natuurlijk vele energie nodig en die krijgen ze van het licht, vooral dan van het zonlicht. Het biochemische proces waarbij licht als energiebron wordt gebruikt om kooldioxide en water als grondstoffen om te zetten in suikers wordt fotosynthese genoemd. Niet al het licht wordt gebruikt als energiebron: het groene gedeelte van het licht wordt niet gebruikt en dus teruggekaatst. Daardoor hebben de bladeren een groen kleur. Fotosynthese is de energiebron niet alleen van planten, maar ook van algen en bepaalde soorten bacteriën. De Chloroplasten, ook wel chlorofyl of bladgroen(korrels) genoemd (die naam heeft deze stof te danken aan het feit dat ze vooral in de bladeren voorkomt en dat ze groen van kleur is) wordt het zonlicht opgevangen en verwerkt. In de thylakoiden in het chloroplast vindt de fotosynthese plaats. Terwijl planten hun eigen voedsel maken, gebeurt er nog iets heel belangrijks. Ze hebben ook wat afval dat ze kwijt moeten raken. Bij het veranderen van water en kooldioxide in suikers blijft een hoeveelheid zuurstof over. Die laat de plant door de huidmondjes, waarlangs ook het kooldioxide naar binnen kwam, naar buiten ontsnappen. Al die zuurstof, die door alle planten gedurende meer dan 3 miljard jaar dat ze daar mee bezig zijn, is afgescheiden, vormt de grote reserve die zich in onze atmosfeer bevindt. Toen het leven op Aarde ontstond, bestond de atmosfeer voor een deel uit kooldioxide en was er geen vrije atmosferische zuurstof. Toen er algen ontstonden kon hun afvalproduct zuurstof van de fotosynthese in de atmosfeer terecht komen. Pas veel later kwamen er organismen die zelf geen fotosynthese meer hadden en als energiebron moesten vertrouwen op het afbreken van andere organismen onder gebruik van zuurstof. Zo bestaat er nu op Aarde een kringloop waarbij koolzuurgas uit de atmosfeer door planten wordt opgenomen en omgezet in suikers en polymeren daarvan, zoals cellulose, waarbij zuurstof vrijkomt. Andere organismen eten die planten en verteren ("verbranden") ze met behulp van zuurstof, waarbij weer energie vrijkomt die het organisme doet functioneren en waarbij daarnaast ook de koolzuur weer vrijkomt, die dan weer door planten kan worden opgenomen. Zo is uiteindelijk vrijwel al het leven op aarde van zonlicht afhankelijk. |
![]() |
Laatst bijgewerkt: 16-03-08 |