701

Primatomorpha (Aapachtigen) en Plesiadapiformes

Euarchontoglires (Knaagdieren en Primaten) Euarchonta Scandentia Primatomorpha (Aapachtigen) en Plesiadapiformes

De voorvader van zowel de Knaagdieren als de Primatomorpha (Aapachtigen) was vermoedelijk een dier dat leek op een kleine eekhoorn of boomspitsmuis Dit diertje behoorde tot de Scandentia, een orde binnen de supeorde Euarchontoglires (samentrekking van Euarchonta (Primaatachtigen) en Glires (Knaagdierachtigen). 

Aapachtigen zijn nauw verwant aan de Knaagdieren en Lagomorpha (Haasachtigen), zoals in deze stamboom te zien is. De drie orden hebben zich alle ontwikkeld uit een dier dat leek op een Toepaja of boomspitsmuis (orde Scandentia), dat leefde In het Krijt op het noordelijk halfrond. In het Eoceen ontwikkelden zich uit deze voorouder de Knaagdieren, de Primaten en de Lagomorpha.

In het Laat-Krijt, dus nog in het dinosaurustijdperk ontwikkelden zich uit de Scandentia de Primatomorpha, kleine nachtjagende insectivoren ter grootte van een muis. Zij leefden waarschijnlijk op de grond. Om de een of andere reden overleefden zij de nucleaire winter die veroorzaakt werd door een enorme meteoriet die 65 miljoen jaar de aarde raakte ( ( Het einde van het tijdperk van de Dinosauriërs) en die de dinosauriërs waarschijnlijk volledig deed uitsterven. Dat de dino's deze catastrofe niet overleefden was een gelukje voor ons, als ze het wel overleefd hadden, had de wereld er nu heel anders uitgezien.

De Primatomorpha waren nachtdieren, ze renden over de takken op zoek naar insecten. Ze zijn te vergelijken met de hedendaagse Lori's en Spookdiertjes, ze waren solitair en kleurenblind, maar konden prima zien in het donker. Er twee dingen uniek aan hen, en die zouden kenmerkend worden voor de latere primaten, inclusief de mensen. In tegenstelling tot veel andere dieren hebben primaten hun ogen aan de voorkant van hun hoofd. Hierdoor overlappen de gezichtsvelden van de twee ogen elkaar, en hierdoor is het mogelijk dat primaten een driedimensionaal zicht hebben. Ook wij mensen hebben die eigenschap nog steeds. De Primatomorpha ontwikkelden dit systeem om in de bomen van tak tot tak te kunnen springen, om te zorgen dat je niet verkeerd springt is het goed om de wereld in drie dimensies te kunnen zien. Een andere eigenschap zijn de handen. Met name op dunnere takken zijn handen erg geschikt om je vast te houden. 

De Primatomorpha ontwikkelden hun voor -en achterpoten tot slanke, behendige grijporganen waarmee ze zich door de bomen konden voortbewegen. Maar de grootste uitvinding is nog wel de combinatie van die twee eigenschappen. De Primaten ontwikkelde wat wij nu noemen een "oog-hand coördinatiesysteem". Dat wil zeggen dat ze wat ze met hun ogen zagen konden grijpen met hun handen. Voor ons lijkt het heel normaal, maar veel dieren hebben zo'n coördinatiesysteem niet. Je ziet met je ogen wat je handen (met een voorwerp bijvoorbeeld) aan het doen zijn, je krijgt een feedback en kunt het voorwerp manipuleren (Zoiets al bewerken.). In feite werd hiermee de basis gelegd voor het gebruik van werktuigen, wat belangrijk is voor veel grote apen en natuurlijk helemaal voor ons mensen en onze voorouders. De vroege primaten gebruikten geen werktuigen, maar ontwikkelde deze eigenschappen om insecten uit de lucht te kunnen grijpen.
Hoewel er maar weinig fossielen uit die tijd gevonden zijn, zijn er aanwijzingen dat zo'n 60 miljoen jaar geleden sommige Primatomorpha hun dieet begonnen aan te passen. Zij begonnen meer fruit te eten en tijdens het Eoceen splitste de orde zich op in twee groepen. Er ontstond een groep met maki-achtigen (Lemuroidea) en een groep met spookdiertjesachtigen (Tarsoidea). Beide groepen zijn ingedeeld in de onderorde Halfapen (Strepsirhini). De Lemuroidea vertonen de meeste primatenkenmerken, o.a. een opponeerbare duim en platte nagels (uitgezonderd de tweede teen, die een klauwtje heeft). Deze groep komt nu voor in de tropen van de Oude Wereld, maar is fossiel ook bekend uit het Paleoceen van Eurazië en Noord-Amerika. 

Plesiadapiformes  

Uit de Primatomorpha ontwikkelden zich ca. 55 miljoen jaar geleden, aan het begin van het Eoceen, de Plesiadapoidea. Zij hadden knaagdierachtige snijtanden. In het Midden-Eoceen waren zij weer verdwenen. 

De Plesiadapoidea weken van de overige Halfapen af; zij hadden knaagdierachtige snijtanden. In het Midden-Eoceen waren zij weer verdwenen. Het waren eekhoornachtige diertjes ter grootte van een kat, die zowel voorkwamen in de Oude als de Nieuwe Wereld.

De verwantschap tussen de Plesiadapiformes en de Primaten is omstreden. Lange tijd werd de groep beschouwd als onderdeel van de primaten, maar tegenwoordig wordt de Plesiadapiformes beschouwd als een afsplitsing van de evolutionaire lijn die naar de primaten leidde. Daarom spreekt men tegenwoordig meestal van een zelfstandige orde Plesiadapiformes. 

De Plesiadapiformes en primaten vormen samen met de Scandentia (Toepaja's) en de huidvliegers de superorde Euarchonta.  

Het oudst bekende geslacht is Purgatorius.  

Het best bekend is het geslacht Plesiadapis zelf uit het Laat-Paleoceen en Vroeg-Eoceen dat leefde in Noord-Amerika en Europa. Globaal gezien had Plesiadapis de bouw van een eekhoorn. Een ander bekend geslacht is Carpolestes uit het Laat-Paleoceen.

Rechts: Plesiadapis

In Montana is in de gesteenten uit het Laat Krijt een kies gevonden van een dier dat volgens sommige paleontologen al een primaat moet zijn geweest. Als dat klopt hebben onze verre voorouders dus nog tussen de Dinosauriërs geleefd. De kies wordt toegeschreven aan een dier dat Purgatorius wordt genoemd, Van dit dier zijn meer fossielen bekend, maar die stammen uit het Paleoceen. Het dier was zo groot als een rat, leefde in bomen en at bladeren en vruchten. Purgatorius was vermoedelijk ongeveer 10 cm lang en 20 gram zwaar. Net als het merendeel van de zoogdieren uit het Vroeg-Paleoceen was dit diertje een insecteneter.

links: Purgatorius

laatst bijgewerkt: 07-04-08

colofon