2040

Thraciërs (3200 - 1200 v. Chr.)

De Balkan in het Laat-Neolithicum (4000 - 1900 v. Chr.) 
Het gebied ten noorden van de Egeïsche Zee, Noord-Oost Griekenland, Zuid-Bulgarije en Europees Turkije werd bewoond door de Thraciërs, krijgshaftige veeteeltnomaden, oorspronkelijk afkomstig uit de Zuidrussische steppen. Zij spraken een Indo-europese taal.

In de Ilias wordt herhaaldelijk naar dit volk, dat bij de Grieken bekend stond onder de naam Bythiniërs, verwezen. Zij zouden zich omstreeks 3200 v. Chr. op de zuidelijke Balkan hebben gevestigd en zich toen hebben vermengd met de daar wonende boerenbevolking. Zij spraken een eigen - sinds lang uitgestorven - taal, maar lieten geen literatuur na. Hun taal was verwant met die van de Daciërs en vermoedelijk ook met het Albanees, dat nadien beïnvloed werd door de Illyriërs.

Links: de verspreiding van de Indo-Europese volkeren. De Thraciërs behoorden tot de "Balkan"-tak die zich ca. 3200 vanuit Zuid-Rusland over de Balkan verspreidde.

(z. ook: Verspreiding van de Indo-Europese volkeren). 

In het 2de millennium voor Christus bezetten de Thraciërs het gebied tussen zuid Bulgarije en noord Griekenland enerzijds en zuid Rusland anderzijds. In de 5e eeuw voor Christus was de Thracische aanwezigheid blijkbaar zo opvallend dat de Griekse geschiedschrijver Herodotus (ca. 485 v.Chr. - 425/420 v.Chr.), hen het op één na meest talrijke volk van de bekende wereld noemde.en mogelijk het machtigste. Hij suggereerde dat wegens de uitgestrektheid van de landen die ze bewoonden en controleerden ze een enorm imperium waren geweest, als ze zich verenigd hadden. De Thraciërs waren daarentegen verdeeld in een groot aantal groepen en stammen veelal onderling strijd leverend, hoewel gedurende enkele periodes een aantal machtige staten werd georganiseerd, zoals het Odrysiaanse koninkrijk van Thracië en het Dacië van Burebista. 

In de Ilias stemden de Thraciërs in om aan de zijde van de Myceneaanse Grieken te vechten in de Trojaanse oorlog (1218 - 1209 v. Chr.) Volgens Homerus hebben de Thraciërs zich niet aan hun belofte gehouden en hielden zij zich afzijdig. In de Odyssee plunderden Odysseus en zijn mannen Thracië op de terugweg van de oorlog. Hiermee werden ze gestraft voor hun "lafheid", zoals de Odyssee het noemt. De werkelijke reden voor de Thraciërs om niet mee te doen, is onbekend. Mogelijkheden zijn economische redenen of andere allianties.

Veel mythische figuren, zoals de god Dionysos, prinses Europa en de held Orpheus die volgens de mythe afdaalde naar de onderwereld (Hades) om zijn vrouw Eurydice te terug te halen, maar faalde, waren geleend door de Grieken van hun Thracische buren. Flavius Josephus beweert dat de bijbelse figuur Tiras, zoon van Jafeth de stichter was van de Thraciërs. "Tiras noemde ook hen over wie hij heerste de Tirassiërs, maar de Grieken veranderden de naam later in Thraciërs." .

 

Aanvankelijk woonden de Thraciërs niet in steden, maar in dorpsgemeenschappen en de versterkte verblijfplaatsen van de stamhoofden. Zij beoefenden voornamelijk veeteelt en in beperkt mate landbouw. We mogen aannemen dat de Thraciërs zeer bedreven waren in het mennen van paarden. Door deze mogelijkheid ondersteund zijn ze waarschijnlijk uitgezwermd naar het huidige Turkije, waar ze meerdere bolwerken oprichtten, waaronder het legendarische Troje. Gedurende lange tijd fungeerden de Thracische koningen ook als hogepriester en bezitten dus zowel politieke én religieuze macht. 

Bepaalde streken van Thracië waren gedurende eeuwen tamelijk geïsoleerd. De polygame Thracische familie vormde de grondslag van de gemeenschap. Een man had vele vrouwen, die volgens Griekse bronnen een hard bestaan leidden. Zij verrichtten het werk, zowel in huis als op de akker. De mannen beschouwden het als een schande het land te bebouwen. De vrouwen brachten ook de kinderen groot en waren tevens de dienaressen van het manvolk. Gewoonlijk kocht een man zijn vrouw van haar ouders. Vóór het huwelijk hadden de vrouwen vrije omgang met de mannen van hun keuze, na het huwelijk werden zij streng bewaakt. De meest geliefde en als edel beschouwde bezigheid van de mannen was om ten oorlog te trekken en zich te laten tatoeëren: gewoonten die duidelijk het verschil aangaven tussen de aristocratie en de boerenbevolking. Vaak verkochten de ouders hun kinderen als slaven. In de religie van de Thraciërs stond de verering van vrouwelijk godheden centraal. 

Gedurende lange tijd hielden de Grieken het land Thracië voor de verblijfplaats van Ares, de bloeddorstige oorlogsgod en van de god van de noordenwind Boreas, die hun schepen naar de diepte van de zee zee trekt. Zelfs de zee aan de oostkust van Thracië is voor hen de "ongastvrije zee", de Pontus Axeinos. De sagen over Orpheus, Rhesus en Maron en waarschijnlijk ook over Zalmoxis gaan terug tot een zeer ver verleden, tot de tijd van de Trojaanse oorlog, dus tot de Myceense periode. Een antieke legende vertelt dat de god Dionysus, de god van de wijn en de vruchtbaarheid, aan het hoofd van zijn stoet van silenen, satyrs en maenaden de Hellespont (Dardanellen) wilde oversteken van Klein-Azië naar Europa. Daarvoor moest hij echter toestemming vragen aan de heerser over deze zee-engte, de Thracische koning Lycurgus. De koning trachtte echter de god te misleiden en gaf zijn soldaten het bevel de goddelijke immigranten te doden, zodra zij voet aan land hadden gezet in Europa. Een zekere Charops verried dit plan echter aan Dionysus, waarop de god in het geheim terugkeerde naar Azië. Daar verzamelde hij zijn leger, nam Lycurgus gevangen, martelde hem en liet hem aan het kruis slaan. Daaraan gaf hij de Hellespont over aan Charos, de vader van Oiagros en de grootvader van Orpheus. Mogelijk was deze laatste de eerste Thracische koning, die Thracië en Macedonië onder zijn heerschappij verenigde, of een belangrijk geestelijk leider. 

Een andere legendarische Thracische figuur, die in Homerische epen en Griekse legenden vermeld wordt, was koning Rhesus. Volgens de Griekse overlevering had hij zich gevestigd in de buurt van de monding van de Strymon (Strouma), in de Pangaios-bergen of in de Rhodope langs de kust van de Egeïsche zee, Vandaar trok hij op om Troje te helpen in de strijd tegen de Egeërs. 
Andere legendarische namen uit die tijd waren Maron, die door Odysseus werd bezocht, naar wie de stad Maroneia, Mena, de stichter van de stad Menebria (nu Nessebur). Andere Thracische steden zijn alleen bekend uit Griekse bronnen, zoals: Selymbria (Selya), Poltumbria (Ainus). In het Thracisch betekent bria stad. Van slechts enkele in de Griekse bronnen genoemde steden zijn er inscripties bewaard gebleven. 

Thracië (1200 - 600 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 07-09-08

colofon