1027

Noord-Mesopotamië (6000 - 5000 v. Chr.)

Noord-Mesopotamië (7000 - 6000 v. Chr.)Syrië (8000 - 2000 v. Chr.)
In het 6e millennium verspreidde de landbouw zich over heel West-Azië. Dankzij allerlei verbeteringen stegen de akkeropbrengsten. Door het overschot aan graan ging de bevolking in de nederzettingen ruilhandel bedrijven met andere volkeren. Er ontstond handel (o.a. in koper). De handelscontacten reikten soms zeer ver weg: zo werden halfedelstenen en schelpen voor het maken van sieraden geïmporteerd uit het gebied rond de Perzische Golf.

De boeren gingen meer zorg besteden aan hun huizen: Ze werden groter en steviger gebouwd en bestonden uit meerdere kamers. Als bouwmateriaal werd aangestampte leem of in de zon gedroogde bakstenen gebruikt. De huizen waren eerst rond of ovaal en later rechthoekig van vorm en hadden meerdere kamers. De muren werden bestreken met witte pleisterkalk en vaak fraai versierd met beschilderingen. Van riet werden matten gemaakt voor op de vloer. Half in de grond verzonken werden opslagruimten gemaakt voor het opslaan van de graanvoorraad. 

 

Rond 6.000 voor Christus in Syrië werd er al koeien gehouden voor de melk. Aan de hand van scherven van prehistorisch aardewerk die in Syrië zijn opgegraven, konden Leidse archeologen met behulp van Britse onderzoekers vaststellen dat koeien al 6000 jaar v. Chr. voor de melk werden gehouden. Veelal werden daar gelijk producten als kaas en boter van gemaakt, omdat melk snel bedierf. 
De ontdekkingen zijn gedaan bij de opgraving in het Syrische Tell Sabi Abyad, waar de archeologen al jarenlang een prehistorische nederzetting uit de periode 7000-5500 voor Christus onderzoeken.
Omstreeks 6000 v. Chr. ging men pottenbakken - nog zonder draaischijf. De potten werden gepolijst of met eenvoudige geometrische motieven beschilderd. De keramiek is genoemd naar de vondsten van Tell Halaf aan de rivier de Khabur.

Boven: polychrome vaas (Halaf cultuur, ca. 5300 v. Chr.)

De kleine vrouwenbeeldjes die zijn teruggevonden doen vermoeden dat er een vruchtbaarheidsgodin werd aanbeden. Koperen voorwerpen wijzen erop dat handel met Klein-Azië bestond.

Rechts: Idool van een vruchtbaarheidsgodin (Tell Halaf ca. 5500 v. Chr.)

Doorbraak van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee

± 5700 v. Chr. brak de Middellandse Zee door naar het gebied dat nu wordt ingenomen door de Zwarte Zee. Het moet hierbij zijn gegaan om een werkelijke catastrofe. Gedurende drie jaar stortte een waterval zo'n 50 km² water naar omlaag over een hoogte van zo'n 150 meter. Dat is een 200 maal zo grote waterstroom en een driemaal zo hoge valhoogte als de Niagara Falls. In de periode steeg het waterpeil in de Zwarte Zee met zo'n 15 cm. per dag. Vanwege de geringe helling van het landoppervlak ter plaatse betekende dat de kustlijn gemiddeld per dag een kilometer landinwaarts werd gelegd. De vegetatie verdronk daardoor en veel van de fauna moet ook niet in staat zijn geweest zich tijdig uit de voeten te maken. De kusten van "het Zwarte Meer" werden voor de catastrofe bevolkt door jagers en eenvoudige landbouwers. Zij moeten uiteraard zijn verdreven, maar vooralsnog is onduidelijk of die gedwongen verhuizing heeft bijgedragen aan de verspreiding van de landbouw over Europa. 

Tienduizend jaar geleden aan het einde van de laatste ijstijd, was de Middellandse Zee zo goed als opgedroogd. Ook in de Zwarte Zee stond het water laag. Die zee was toen nog een zoetwatermeer dat niet in verbinding stond met de Middellandse Zee. Met het smelten van de ijskappen steeg het water in de zeeën, maar niet in de Zwarte Zee. Het niveau in de Middellandse Zee werd zo hoog dat de druk op de landengte bij de huidige Bosporus te groot werd om het zoute water binnen te houden. Het brak, ca. 5700 v. Chr. , met geweld door het land en stortte zich naar beneden, de Zwarte Zee in.

Daar steeg het water in korte tijd honderddertig meter. Op het hoogtepunt - gedurende honderd dagen - van vloed wel dertig centimeter per dag. De Zwarte Zee werd veel groter en het zoute water overstroomde het vruchtbare land in het noorden en het westen. De Zee van Azov ontstond en de Krim werd schiereiland. Bodemkartering van de oude kustlijn en bodemonderzoek hebben dit aangetoond. De opgeviste fossiele zoetwater- en zoutwaterdiertjes bleken even oud: ongeveer 7500 jaar. Een plotselinge overgang, die een catastrofe weergeeft.

Een eventueel oudste vermelding die hier over gaat is die uit het Gilgamesj-epos uit Mesopotamië. Dit populaire heldendicht waarvan verschillende versies op (spijker)schrift bestaan, de oudste van ongeveer 3700 jaar geleden, verhaalt van de koning-held Gilgamesj die een gevaarlijke reis onderneemt om een overlevende van een grote zondvloed het geheim van de eeuwige jeugd te ontfutselen. Ook in dit heldendicht is sprake van een soort Noach met bijbehorend vaartuig.

De ramp in het Zwarte-Zeegebied kan hebben geleid tot de verspreiding van de agrarische levenswijze in Europa. In de eerste duizend jaar na het einde van de laatste ijstijd was het in dit werelddeel nogal droog, niet bepaald gunstig voor de jacht. Maar bij de huidige Zwarte Zee lag vruchtbaar land en er was zoet water te over. Ideale omstandigheden voor landbouw en veeteelt.

Toen het water kwam zijn de boeren, hun beschaving meenemend, gevlucht, Europa en het Midden-Oosten in, waar ze het verhaal over de grote vloed rondvertelden (aldus de theorie). Er zijn aanwijzingen dat ruim 7000 jaar geleden relatief plotseling landbouwgemeenschappen ontstonden in Europese rivierdalen.

Tussen 5800 en 5700 v. Chr. werden om een onduidelijke reden (mogelijk een klimaatverslechtering, ontstaan van de Zwarte Zee?) alle nederzettingen vrij plotseling verlaten. Ook de Balikh-vallei in het noorden van Syrië, waar naar schatting 6000 mensen woonden, liep leeg. 

Zo'n 400 jaar later (ca. 5400 v. Chr.) kwam de bewoning weer terug. Op het gebied van cultuur was er dan ook wat veranderd: de nieuwe bewoners bouwden niet meer met tichels (baksteen) maar trokken muren op door lagen klei te stapelen. Ook het aardewerk zag er anders uit en kwam veelal van elders (Irak, het kustgebied), net als de vuursteen. Er waren duidelijk sporen van invloeden van veraf. 

Aan het eind van het 6e millennium v. Chr. waren veel nederzettingen uitgegroeid tot welvarende dorpen, bijna steden, zoals Hassuna (5800-5500), Samarra (5600-5000) en Halaf (5500-4500).

: Noord-Mesopotamië (5000 - 4000 v. Chr.)

laatst bijgewerkt 12-12-02

colofon