1401 |
|
![]() |
![]() |
Als gevolg van overstromingen ontstaat achter de kustlijn een gebied met kreken, stroomgeulen en zoetwatermeren. De hoger gelegen stukken zijn overdekt door bos. Her en der leven bosjagers. Omstreeks 5300 v. Chr. strijken in Midden-Nederland en Zuid-Limburg de eerste boeren neer. Omstreeks 4900 v. Chr. zijn zij echter weer verdwenen.
Van de Bosjagers is in 1971-1974 even ten zuiden van het Bergumermeer een groot basiskamp uit het 6e millennium voor Chr. opgegraven. |
Naast kleine brokjes houtskool en verbrand been zijn er tienduizenden vuursteensplinters en -werktuigen gevonden. De kampplaats lag op een lage zandrug aan de rand van een meer. Er hebben waarschijnlijk vijf of zes hutten gestaan van ongeveer 5 x 7 meter, elk het onderkomen van één of twee gezinnen. In totaal bivakkeerden er ongeveer 25 personen. Het moeten hutten zijn geweest met een skelet van buigzame takken en een bedekking van rietmatten of huiden. De randen waren verzwaard met speciaal voor dit doel aangevoerde stenen. Later heeft zich stuifzand tegen de wanden opgehoopt. De gevonden werktuigen voor het bewerken van been, huiden en hout, komen veel overeen met de werktuigen die de rendierjagers al gebruikten, zoals de steker, boortjes en krabbers. In plaats van de spitsen vond men de kleine punten, die gemonteerd werden in pijlen en harpoenen (microlieten). Zo'n 6000 jaar geleden zag de kaart van Nederland er totaal anders uit dan nu. Het noorden was relatief droog, evenals het zuiden. Maar in het westen bevond zich een grote laagte als overblijfsel uit het Würm-Weichsel-Glaciaal. Waar nu het Noordzeestrand ligt, lag de bodem wel 10 tot 30 meter onder het huidige maaiveld. In de Randstad lag een groot verdronken waddengebied, de Almere-lagune. Langs de randen groeide veen. Hier vestigden zich de mensen van de latere Swifterbantcultuur. Dit waddengebied moet verdronken zijn toen het landijs smolt en de zeespiegel in korte tijd zeer snel steeg, met meer dan een meter per eeuw. In het deltagebied van de Rijn en Maas zette de stijging van de zeespiegel zich minder snel door. Perioden van overstroming en terugtrekken van zeewater wisselden elkaar af. Bij zo'n overstroming leek het landschap nog het meest op dat van de Waddenzee. Als de zee zich terugtrok ontstond achter de kustlijn een gebied met kreken, stroomgeulen en zoetwatermeren. De hoger gelegen stukken werden dan overdekt door bos. |
laatst bijgewerkt 23-01-07 |