1304 |
Bandkeramiek-cultuur (ca. 5300 - ca. 4900 v. Chr.) |
![]() |
Links: Model van een boerderij van de Bandkeramiekcultuur, gemaakt door Robert Graf. |
De Bandkeramiekers leefden bijna uitsluitend van landbouw en veeteelt. Zij bouwden grote stevige langwerpige boerderijen. Zij hadden een hard en zwaar bestaan. Hoe noordelijker zij kwamen, hoe kouder en natter het klimaat werd. Het grootste deel van het gebied was bedekt met uitgestrekte wouden. In dezelfde omgeving waar de boeren hun nieuwe nederzettingen bouwden, woonden soms ook nog groepen bosjagers. | ![]() |
![]() |
Meestal zullen de boeren het met hen wel goed hebben kunnen vinden. In de loop der eeuwen gingen zij ook landbouw en veeteelt bedrijven, al bleef jagen en vissen voor hen toch hoofdzaak. Om in leven te blijven moesten zij zich wel aanpassen aan het koelere klimaat en het landschap. Zo moesten de boerderijen veel steviger worden gebouwd. Als woonplaats werd meestal gekozen voor een licht bebost gebied in de buurt van een meer of riviertje. Vaak werd de nieuwe nederzetting gebouwd op een heuvel. Er moest vruchtbare grond zijn, dus niet te zanderig, want dan groeide er niets. Ook vette klei was niet goed, want het gebruik van een ploeg kenden zij nog niet. Bovendien moest er water in de buurt zijn en moest de grond hoog genoeg liggen, zodat er geen gevaar voor overstromingen was. De Bandkeramikers streken ook neer In Zuid-Limburg, aan de oostelijke oever van de Maas bij Elsloo en Stein en in Belgisch Limburg. De grond in het Maasdal was niet alleen vruchtbaar, maar ook niet al te hard. De boeren bezaten nog geen gereedschap waarmee ze zware klei konden bewerken. De boeren bouwden grote stevige langwerpige boerderijen. Uit de plattegronden blijkt dat gewoonlijk een tiental huizen bij elkaar stond. |
De boerderijen werden in één bepaalde richting gebouwd, wat zou kunnen wijzen op het geloof in een Zonnegod. Behalve huizen stonden er in de nederzetting ook ovens. Grote voor het bakken van aardewerk en kleine, waarin het eten werd bereid. De mest van het vee werd langs het huis in een langgerekte kuil bewaard. In één huis woonden waarschijnlijk verschillende families bij elkaar. Het grootste deel van de woning was bestemd voor de dieren, die er in de winter een plaatsje vonden. Soms was er een groot hek om de boerderij, zodat de dieren niet weg konden lopen. De boeren gingen ook regelmatig op jacht. In de leemputten zijn namelijk ook veel botjes teruggevonden van kleinwild. Van het graan op de akkers maakten de boeren een soort brood of meelkoek. De zware taken van bosontginning, landbouw en huizenbouw werden ongetwijfeld door de hele gemeenschap uitgevoerd. |
![]() |
![]() |
De mannen velden bomen, rooiden struiken, zaaiden koren, hoedden en molken het vee, timmerden en gingen op jacht. Bij het afbranden van een stuk bos hielp iedereen mee, behalve de jongste kinderen. Die moesten op een veilige afstand blijven van het vuur en op de varkens passen. De vrouwen zorgden voor het binnenhalen van de oogst (met de sikkel), het malen van het graan tot meel (met maalstenen) , voor het broodbakken, weven en pottenbakken. Voor al deze activiteiten dienden ook nieuwe werktuigen en nieuwe technieken ontwikkeld te worden: Met stenen bijlen werd de bast van de bomen geringd, zodat deze afstierf. Nadat het struikgewas was gekapt en verbrand, werd met een hak de grond losgemaakt en in de hete as voren gemaakt, waarin de meegebrachte zaden werden gezaaid. De eerste primitieve ploeg (het eergetouw) werd pas gebruikt door de boeren van de Trechterbekercultuur. Links: Reconstructie van een dorp uit de tijd van de Bandkeramiekcultuur (BMW-Museum Regensburg) |
Tussen de bomen van de bosrand was voor het vee (runderen, schapen en geiten) genoeg te grazen. De varkens konden zich dik vreten aan de eikels en noten. De dieren van de veestapel, vooral runderen, maar ook schapen, geiten en varkens, leken nog sterk op hun wilde verwanten. Door het fokken van vee wisten de boeren de dieren aan te passen zodat het houden ervan steeds gunstiger werd. In eerste instantie gebruikte men de dieren voor de vleesvoorziening. Pas later - tijdens de Trechterbekercultuur - ook voor de melkproductie en als werkdieren op het land. Het rund was het belangrijkste huisdier van de Lineaire Bandkeramiekers. De schofthoogte van de oerrunderen van ongeveer 1, 70 meter. De runderen van de Lineaire Bandkeramiekers waren gemiddeld ca. 1,40 - 1,50 meter hoogt. De stier 1,60 meter hoog. Of de schapen ook gehouden werden voor hun wol, weten we niet. Er zijn althans geen bewijzen voor gevonden. Wel weten we dat de haren van de schapen toen donkerder, langer en minder gekroesd waren dan de wol van onze huidige schapen. De oogst van primitieve graangewassen (emmer en eenkoorn) en peulvruchten (erwten, linzen) bracht misschien niet veel op, maar bood de boeren meer bestaanszekerheid dan de soms erg grillige natuur. Door een voorraad aan te leggen van deze gewassen was men zeker dan voldoende voedsel in perioden dat er weinig eten te vinden was in de vrije natuur. De boeren verbouwden ook vlas. Van de zaden van de vlasplant kon lijnolie worden geperst, Uit de stengel van de plant konden vezels worden gehaald voor het maken van linnen. |
De eerste oogsten waren rijk, maar na een paar jaar raakte het land uitgeput en begon minder op te brengen. Dan werd er een nieuw stuk bos gerooid en op dezelfde manier voor landbouw geschikt gemaakt. Het vee graasde op de akker die braak was komen te liggen. Zo werd voorkomen dat de begroeiing weer terugkeerde. Op deze wijze ontstonden in de wouden rond de nederzettingen grote open plekken: kleine eilandjes in een oceaan van gebladerte. Naast landbouw en veeteelt bleef de jacht belangrijk. Gejaagd werd op klein wild, herten, wilde zwijnen en oerossen. De rivieren zaten vol vis. Hun manier van jagen verschilde in wezen niet veel van die van de bosjagers. De boeren gebruikten dezelfde wapens en gereedschappen (pijlpunten, boortjes, krabbers) en ook honden.
Na zo'n 8 á 10 jaar was de grond uitgeput en moesten de boeren de nederzetting verlaten en een nieuwe plek zoeken om te wonen en akkers aan te leggen. Het bos overwoekerde dan de oude akkers en de uitgeputte grond herstelde zich na verloop van enkele tientallen jaren. Zo verspreidden de boeren zich in de loop van het 6e en 5e millennium voor Chr. over heel Europa. |
In de loop der tijd leerde men betere gereedschappen te maken: vuurstenen werktuigen, potten en schalen van aardewerk, maalstenen om de graankorrels te kunnen vermalen tot meel en een weefgetouw om stoffen te kunnen weven voor het maken van kledingstukken. De ambachtelijke bedrijvigheid kende in die periode een sterke ontwikkeling. De Bandkeramische dorpen hadden elk hun eigen specialiteit, zoals pottenbakken, vuursteen- hout of lederbewerking.
Kenmerkend was hun aardewerk, bestaande uit halfronde kommen en bolvormige bekers voorzien van oren, versierd met karakteristieke patronen van banden, lijnen en punten die voor het bakken in de nog zachte klei waren gekerfd. Soms liepen deze bandvormige versieringen eenvoudig rond de pot, soms golfden ze een beetje, of werden hoekig (zigzag lijnen) of ruitvormig. Maar het blijven duidelijke banden. We spreken daarom van lineair bandaardewerk of lineaire bandkeramiek. Dit aardewerk kwam voor van Oost- en Midden-Europa tot in het Maasdal (België, Zuid-Limburg) en midden Frankrijk. |
![]() |
De cultuur van deze boeren is naar deze bandversieringen de Lineaire Bandkeramische Cultuur (LBK-cultuur) genoemd. Het aardewerk, bestaande uit potten, schalen en bekers diende om voedsel in te bereiden, op te dienen, te vervoeren of te bewaren. Het werd met de hand gemaakt: gekneed uit een brok klei of opgebouwd van een aantal op elkaar gedrukte kleirolletjes. De bandversieringen werden aangebracht als de klei nog zacht was en gebeurde met stokjes, kammetjes, touw, met de vingertoppen of met de nagels. Het aardewerk werd gebakken op een houtvuur. Het spinnen van draden was al omstreeks 7000 v. Chr. bekend in het Midden-Oosten. In Jarmo (Irak) zijn afdrukken gevonden van weefsels in klei. Ook bij de Bandkeramiekers was het verwerken van vlas bekend. In een leemput bij Erkelenz is een stukje linnen aangetroffen. Op een aantal plaatsen binnen het bandkeramische verspreidingsgebied zijn restjes vlasdraad gevonden. De weefselindrukken of fragmenten wijzen op de eenvoudigste weeftechniek: de platbinding. |
![]() |
![]() |
Gevonden weefgewichten duiden op het gebruik van een staand gewichtentouw.
Wanneer de stof van het weefgetouw kwam had het zijn sterkste, rechthoekige vorm. Zo werden uit deze rechte lappen kledingstukken van vele volken gevormd. Wat voor kleding de Bandkeramiekers hebben gedragen, weten we niet. laatst bijgewerkt: 12-02-03
|