1573 | Andronovo-cultuur (3600 - 2300 v. Chr.) |
![]() |
![]() |
De Andronovo-cultuur is een verzamelnaam voor een aantal culturen (waaronder de Sintashta-Petrovkacultuur en de Fedrovocultuur) uit de bronstijd in Zuid-Siberië en Centraal-Azië tussen ongeveer 2300 v.Chr. en 1000 v.Chr.. De naam is afgeleid van het dorp Andronovo, waar in 1914 een aantal graven werd ontdekt met skeletten in gebogen houdingen, begraven met rijk versierd aardewerk. Het verspreidingsgebied van deze cultuur is enorm en moeilijk precies af te bakenen. Aan de westelijke randen overlapt het met de ongeveer gelijktijdige, maar afwijkende Srubnacultuur in de hooglanden tussen de Wolga en de Oeral). In het oosten reikte het tot in de Minoesinskdepressie en overlapte het met het gebied van de eerdere Afanasefocultuur. Verdere vondsten zijn verspreid tot bij de Kopet-Dag in Turkmenistan, de Pamir in Tadzjikistan en de Tiensjan in Kirgizië. De noordelijke grens komt globaal overeen met het begin van de taiga. In het stroomgebied van de Wolga was het contact met de Sjrubnacultuur het best ontwikkeld en het langdurigst; aardewerk uit de subcultuur Fedorovo is zelfs bij het veel westelijker gelegen Wolgograd gevonden. |
![]() |
Tegen het midden van het 2e millennium v.Chr. verspreidden de Andronovoculturen zich sterk in oostelijke richting. Men dolf koper in de Altaj en leefde in dorpen met soms wel 10 verzonken blokhuthuizen die afmetingen hadden tot 30 bij 60 meter. Graven werden gemaakt in stenen cisten of stenen omhulsels met begraven houten kamers. Het belangrijkste middel van bestaan was het hoeden van vee, paarden en runderen, schapen en geiten. Ook is gebleken dat er wat landbouw bedreven werd. Er is een sterk verband gesuggereerd tussen de Andronovocultuur en de vroege Indo-Iraanse cultuur. In het bijzonder de uitvinding van de strijdwagen met spaken rond 2000 v.Chr. wordt aan de Andronovocultuur toegeschreven. | ![]() |
![]() |
Links opgraving van een strijdwagen in Centraal-Azië. Rechts: reliëf van een Hittitische strijdwagen. | ![]() |
De nederzetting Arkaim in de Zuidelijke Oeral net ten noorden van de grens met Kazachstan wordt gedateerd in de 17e eeuw v.Chr. Vroegere dateringen worden voorgesteld, tot in de 20e eeuw v. Chr. De site werd in 1987 ontdekt. Hoewel de nederzetting was afgebrand en verlaten, zijn er veel details bewaard gebleven. Arkaim lijkt qua vorm op het naburige Sintasjta waar de eerste strijdwagen is opgegraven, maar is veel beter bewaard gebleven. De site wed beschermd door twee cirkelvormige muren. In het midden lag een rechthoek met daaromheen door een straat gescheiden woningen in twee kringen. De nederzetting besloeg ongeveer 20.000 m². De doorsnee van de omringende muur was 160 m. Hij was gebouwd van aarde die in een houtskelet was gestort een aangestampt, versterkt met ongebakken bakstenen van klei. De muur was 4-5 m dik en 5,5 m hoog. Om de nederzetting heen lag een 2 m diepe gracht.
Rechts: reconstructietekening van de nederzetting Arkaim. |
![]() |
De nederzetting had vier ingangen door de binnen- en buitenmuren, met de hoofdingang op het westen. De woningen hadden een oppervlakte van tussen 110 en 180 m². In de buitenste huizenring stonden 39 of 40 woningen, met een ingang aan een cirkelvormige straat in het midden van de nederzetting. In de binnenste ring stonden 27 woningen, opgesteld langs de binnenmuur, met deuren naar het binnenplein dat 25 bij 27 m mat. De centrale straat werd gedraineerd door een afgedekt kanaal. Zdanovich schatte dat er 1500 tot 2500 mensen in de nederzetting gewoond kunnen hebben.
Om de muren van Arkaim heen lagen de akkers, 130 tot 140 m bij 45 m, die geïrrigeerd werden met een stelsel van kanalen en sloten. Er zijn resten van gierst- en gerstzaden aangetroffen. De datering in de 17e eeuw zet de nederzetting in de tijd naast of kort na de Indo-Arische migratie naar India (de Gandharagrafcultuur die in de Punjab verschijnt vanaf ca. 1600 v.Chr., de Indo-Arische Mitanni heersers bereikten Anatolië voor 1500 v.Chr., beide ongeveer 3000 km verwijderd van het gebied van Sintashta-Petrovka) en suggereert dat het een vroege Iranse cultuur was of een onbekende Indo-Iraanse tak die niet lang in stand is gebleven. |
![]() |
De mensen van de Andronovo-cultuur bouwden zwaar versterkte nederzettingen, hielden zich bezig met een bronsmetallurgie op een tot dan toe ongeziene schaal en hadden complexe begrafenisrites die doen denken aan de Arische rituelen bekend van de Rigveda. De Andronovocultuur verspreidde zich over de volgende eeuwen over de steppen van de Oeral tot de Tiensjanbergketen in het grensgebied van Kazachstan, Kirgizië en de Chinese autonome regio Sinkiang., waarschijnlijk overeenkomstig de vroege Indo-Iraanse culturen die zich uiteindelijk zou verspreiden naar Iran en India in de loop van het 2e millennium v.Chr.. |
Sintashta was een versterkte nederzetting aan de bovenloop van de rivier de Oeral. De vindplaats, gedateerd op ca. 2000 - 1600 v. Chr.) is beroemd door de grafoffers, met name strijdwagengraven. Deze begrafenissen vonden plaats in koergans en omvatten complete dieren of gedeelten van dieren (paard en hond) geplaatst in de grafheuvel. Sintashta werd opgegraven tussen 1968 en 1986 en gaf zijn naam aan de Sintashta-Petrovkacultuur, een subcultuur van de Andronovocultuur. Deze cultuur wordt vaak de voornaamste proto-Indo-Iraanse vindplaats genoemd. De taal die werd gesproken bevond zich naar men aanneemt nog steeds in de proto-Indo-Iraanse fase. Petrovka was eveneens een vindplaats.
De nederzetting lijkt qua vorm en omvang op de nabijgelegen vindplaats van Arkaim, maar de laatste is wel veel beter geconserveerd. Het belangrijkste kenmerk van Sintasjta is de gesloten versterking bestaande uit wallen en greppels en een omheining of muur van in de zon gebakken baksteen en hout. De versterkte plaats omsloot tussen de 6000 en 30.000 m². Torens bewaakten de ingangen. De huizen waren rechthoekig van vorm met een oppervlakte tussen 25 en 130 m². Er zijn ook ovens voor metaalbewerking. De begrafenis van paarden in Sintashta is bijzonder opmerkelijk; hun benen zijn zo geplaatst dat het lijkt alsof ze rennen. Het lijkt erop dat dit de cultuur is waar de vroegste strijdwagengraven te vinden zijn, ca. 2000 v.Chr. |
![]() |
De Sintashta-Petrovkacultuur werd opgevolgd door de Fedorovo-cultuur (1400-1200 v.Chr.) en Aleksejevka-cultuur (1200-1000 v.Chr.), die nog tot de Andronovo-cultuur gerekend worden. In zuidelijk Siberië en Kazachstan werd de Andronovo-cultuur opgevolgd door de Karasuk-cultuur (1500-800 v.Chr.), waarvan soms wordt beweerd dat het een niet-Indo-Europese cultuur was en soms dat het een specifieke proto-Iraanse cultuur was. Aan de westelijke grens volgde op de Andronovocultuur de Srubnacultuur, die gedeeltelijk voortkwam uit de Abashevo-cultuur. De vroegste historische volken die hiermee geassocieerd worden zijn de Kimmeriërs en Saken/Scythen. Deze duiken op in Assyrische geschriften van na de neergang van de Aleksejevka-cultuur. Ze trokken vanaf ongeveer de 9e eeuw v.Chr. naar Oekraïne en aan het einde van de 8e eeuw v.Chr. over de Kaukasus naar Anatolië en Assyrië en mogelijk ook in westelijke richting naar Europa als de Thraciërs en de Sigynnae, volgens Herodotus aan de overzijde van de Donau, ten noorden van de Thraciërs en volgens Strabo in de buurt van de Kaspische Zee. Zowel Herodotus als Strabo identificeren hen als Iraans. Tussen ± 2000 - ± 1800 v. Chr. trokken verschillende proto-Iraanse stammen van de Europees-Aziatische vlakten van Zuid-Rusland naar het zuiden. Een aantal verhuisde naar Voor-Indië; andere stammen trokken westwaarts over de hoogvlakte van Iran en drongen door tot in Noord-Mesopotamië en Syrië. Onder hen bevonden zich de voorouders van de Hittieten en de Luwiërs. |
Gemaakt: 03-08-08 |