2451

De Vroeg-Vedische periode (ca. 1500 - ca. 1000 v. Chr.)

Indusbeschaving  
Een inmiddels achterhaalde theorie is dat Indo-arische nomadische stammen die zich Ariërs (= edele mensen) noemden, omstreeks 1750 v.Chr.  (Bronstijd) via Iran vanuit het noordwesten India binnentrokken en de daar donkergekleurde autochtone bevolking, de zogenaamde Dravidiërs overwonnen en sindsdien zouden overheersen. Deze Ariërs zouden een Indo-Europees volk zijn (waarschijnlijk evenals de proto-Iranen voortgekomen uit de Andronovo-cultuur), dat oorspronkelijk in de streken ten oosten van de Kaspische Zee woonde en een Indo-Europese taal spraken: het Vedisch, een taal die lijkt op het Sanskriet, een reeds lang dode Indo-europese taal, die gesproken werd door grote massa's volkeren die aan het eind van het derde millennium  v. Chr. rondtrokken op de steppen van Centraal Azië. 

De Ariërs van de Andronovo-cultuur waren een volk van krijgshaftige ruiters en veeboeren en hadden een hoog ontwikkelde cultuur: ze bouwden versterkte steden en gebruikten strijdwagens. Het belangrijkste middel van bestaan was het hoeden van vee, paarden en runderen, schapen en geiten, maar bedreven ook wat landbouw. Aan hen verwante stammen waren de Hittieten die zich vestigden zich in Klein-Azië en Perzië. Ook zij spraken een Indo-europese taal

De Ariërs deden er enkele eeuwen over om zich vanuit Centraal-Azië een weg naar Voor-Indië te banen. Omstreeks 1500 v. Chr.  vestigden zij hun macht in het noordwesten van Voor-Indië en in het Punjabgebied. Sommigen spreken van een invasie, anderen van een geleidelijke migratie. Ook het midden en oosten van India werden ingenomen en steden als Delhi en Benares ontstonden in deze periode. 

Het meer dan vierduizend jaren oude heldenepos Ramayana zou vol staan met mythische verwijzingen naar de strijd tussen "lichtgekleurde Ariërs" en de donkergekleurde "autochtone bevolking", maar ook in de Veda's zouden dergelijke verwijzingen staan.

De "Ariër-invasietheorie" is door een aantal westerse Indologen en geschiedkundigen, als achterhaald verklaard. Volgens hen dateert deze theorie uit een tijd dat Eurocentrisch denken centraal stond en is zij bedacht zijn omdat men in Europa zich niet kon voorstellen dat de Indiërs op cultureel en wetenschappelijk gebied toen hier veel verder was dan Europa. Zij beweren dat met de Ariërs in de heilige geschriften van India nooit een volk is bedoeld. 'Arya' zou alleen 'nobel' of 'edel' betekenen en niet verbonden zijn met (blanke) immigranten. In de geschriften zou niets te vinden zijn over de lichte huidskleur van de Ariërs en niets over een oorlog tussen een lichtgekleurd en een donkergekleurd volk. Bij opgravingen van de oude stad Mohenjo Daro in de Indusvallei zijn geen aanwijzingen gevonden over de aanwezigheid van de Ariërs als een aparte bevolkingsgroep. 

Bron: Arische invasietheorie - Wikipedia

Er zijn echter ook nog velen die wel geloven in een Arische migratie en hebben daarvoor ook verschillende aanwijzingen gevonden. Stammenoorlogen waren er in die tijd aan de orde van de dag, tijdelijke bondgenootschappen werden gesloten om niet-arische volken te verslaan of te onderwerpen. Enkele van deze bondgenootschappen moeten zijn gevormd om het volk van de Indusbeschaving aan te vallen. Bij dergelijke aanvallen wierpen de Ariërs zich in de strijd met hun snelle, door paarden getrokken strijdwagens tegen een volk dat nog nooit iets had gezien dat sneller of wendbaarder was dan een hotsende ossenkar. Zelfs de citadels van de Indussteden bezweken onder de belegeringen en bestormingen van de Ariërs. In enkele van hun oudste geschriften  beschreven de indringers hun aanvallen op de donkerhuidige, niet Arische volken, die in purs of "forten" woonden. Hun oorlogsgod noemden zij Puramdara of "Fortenverwoester". Enkele archeologen hebben hebben een dergelijke vesting die door de Ariërs Hari-Yupuyu werd genoemd, geïdentificeerd als de grote Indusstad Harappa. De donkergekleurde Dravidiërs, de oorspronkelijke bewoners, werden door de Ariërs naar het zuiden verdreven. En om hun raciale zuiverheid zo veel mogelijk te bewaren, voerden de Ariërs het kastensysteem in. De Dravidiërs stonden onderaan het kastenstelsel, de Ariërs bovenaan. De blanke Sinti en Roma zouden eveneens door de Ariërs uit hun woongebied zijn verdreven.

 

In de Indusvallei richtten de veroveraars de hoge stedelijke beschaving ten gronde. Zelf waren de Ariërs rondtrekkende herders. Hun vee verschafte hen voedsel en kleding. Het aantal koeien en stieren bepaalde de mate van hun rijkdom en hoewel ze tenslotte ook op landbouw overgingen bleef de kudde toch altijd meer het statussymbool dan de oogst. Een dergelijk volk kan geen ingewikkelde stedelijke beschaving handhaven of zelfs maar begrijpen. De kunst van het schrijven, het ambacht, de beeldende kunsten en de architectuur - al deze verworvenheden en sieraden van de Induscultuur stierven onder de handen van de Ariërs.

De vroegste periode is voor de archeologen een soort nachtmerrie. De Ariërs lieten geen stenen beelden na, geen stenen zegels, geen potten of bakstenen of graven, niets voor de onderzoekers om op te graven, te classificeren en interpreteren. Wat zij wél nalieten was een verzameling religieuze schrifturen, het grote "Kunstwerk van de Arische cultuur" en zo goed als de enige bron over de Arische samenleving en geschiedenis in die periode.

De Arische priesters hielden nauwkeurig aantekening van hun godsdienstige overtuigingen en oefeningen. In de ingewikkelde dichtvorm, die zij al vóór hun Indische periode bezigden en doorlopend reciteerden, gingen de priesters gedurende duizend jaar met hun verslag door. De vier grote boeken waaruit het bestaat, de Veda's, hebben hun naam gegeven aan deze gehele periode van de Indiase geschiedenis. De jaren tussen 1500 en 500 v. Chr. - de duizendjarige periode waarin de grondbeginselen van het Hindoeïsme hun vorm kregen - wordt de Vedische periode genoemd.

De Ariërs begonnen met het schrijven van de Veda's rond 1200 v. Chr. De taal waarin die zijn schreven was het Sanskriet. Het oudste en belangrijkste van de vier boeken, de Rig-Veda, bevat meer dan duizend lofzangen - een herogene verzameling gebeden, instructies voor rituelen, magische formules, gedichten op de natuur en ook zulke wereldse liederen als het geweeklaag van een gokker over zijn gebrek aan geluk bij het dobbelen. De andere drie boeken hebben een meer gespecialiseerde inhoud. Het zijn de Yajur-Veda, de Sama-Veda en de Atharva-Veda, die respectievelijk instructies voor de priesters, rituele gezagdragers en magische formules bevatten. De Veda's bevatten helaas geen verwijzingen naar historische gebeurtenissen of vorsten die hebben geregeerd, geen data, geen dynastieën, geen oorlogen, vredesverdragen of andere gebeurtenissen die historici in een chronologische volgorde kunnen plaatsen. Wel onthullen de Vedische geschriften veel van de Arische godsdienst en samenleving. 
Uit de Veda's kwam een volk voort met een geweldige trots, zeer overtuigend van de superioriteit van eigen ras en maatschappij. De niet-Ariasche volken van het Indiase subcontinent bekeken zij met spot en grenzeloze verachting. De onderworpen volken werden volledig afgezonderd, gedwongen buiten de Arische dorpsgrenzen bijeen te wonen en uitgesloten van de Arische riten. 

Klassen
De Arische maatschappij was verdeeld in grofweg drie klassen: bovenaan elke stam stond de erfelijke adel, die uit hun midden een vorst of raja (een Indo-Europees woord dat een relatie heeft met rex of koning). De tweede klasse bestond uit priesters, verantwoordelijk voor het onderrichten en naleven van de godsdienst. Daaronder kwamen de gewone stamleden, de veehoeders. Alle onderworpen volken werden in een vierde groep ondergebracht, ondergeschikt aan de andere drie groepen. Dit oude klassenstelsel was niet het kastensysteem van het latere India. Er waren bijvoorbeeld geen beperkingen in het menu of bij de eetgewoonten, huwelijk of erfkwesties. Toch was de taak van iedere klasse duidelijk omlijnd. Al bezat een raja meer vee dan alle andere leden van de adel, hij bleef gewoon een lid van de adellijke klasse. Men kende hem geen goddelijkheid toe en hij was ook geen priester-koning. Het belangrijkste wat hij op godsdienstig gebied kon doen was het vragen om offers voor het welzijn van de stam. Alleen de priesters, een afzonderlijke klasse, konden dergelijke offers tot uitvoering brengen. In de loop van de duizendjarige Vedische Periode ondergingen deze sociale en religieuze leefpatronen een geleidelijke verandering. Ze werden ingewikkelder en strenger. 

Laat-Vedische periode (1000 - 600 v. Chr.)

Gemaakt: 30-06-05; laatst bijgewerkt: 15-08-08

colofon