2736 |
Vandalen (Vandilii) (454 - 457): Gaiseric |
![]() |
Na de nederlaag tegen de keizerlijke vloot in de Siciliaanse wateren in 441, wachtte de Vandalenkoning Gaiseric maakte zich gereed om "de keizermoord te wreken" en niet lang daarna verscheen er een Vandaalse vloot in de monding van de Tiber. Rome werd niet verdedigd en enkele dagen later stonden Gaiseric en zijn soldaten in de straten van Rome. Nu, in 455, moest Rome een plundering ondergaan, welke die van de Visigoten, 45 jaar daarvoor (410), verre overtrof. Twee weken lang hielden de roofzuchtige horden in de wereldstad huis en roofden alles van waarde wat zij maar vonden. De Vandalen vloot koerste naar Rome. Gaiseric verwachtte dat een confrontatie met de keizerlijke vloot ergens op zee zou gaan plaatsvinden. De vloot zeilde langs de Italiaanse kust, maar ondervond geen tegenstand. Op 31 mei 455 kwam Ostia, de haven van Rome, in zicht. De inwoners van Rome zagen de komende dagen somber tegemoet en hadden hun vrouwen en kinderen veiligheidshalve buiten de stad ondergebracht. De poorten van de stad konden de stroom mensen die de staf ontvluchtten niet aan. Keizer |
![]() |
Voor de vierde keer in minder dan een halve eeuw, stonden de barbaren aan de poorten van Rome. Uit vrees voor zijn veiligheid besloot Paus Leo l te spreken met de leider barbaren om de stad te redden. Hij werd door Gaiseric ontvangen en overreedde hem de stad niet in brand te steken en geen slachting aan te richten onder haar bevolking. Gaiseric beloofde de bevolking te sparen, niemand te martelen om de plaatsen waar schatten lagen aan de weet te komen en de openbare en privé gebouwen in de stad niet te vernielen. Op deze voorwaarden werden de poorten van Rome geopend en konden de Vandalen de stad zonder enige tegenstand binnengaan. De Vandalen sloegen twee weken aan het plunderen. Terwijl Gaiseric verbleef in het keizerlijke paleis, roofden zijn mannen alle schatten, standbeelden, plunderden zij Salonons tempel en zelfs een deel van vergulde dak van e tempel van Jupiter Capitolinus. Maar zijn grootste buit was keizerin Eudoxia, haar twee dochters Eudocia en Placidia en Gaudentius, de zoon van Aetius. Alles werd met karren naar de haven Ostia gereden en aan boord gebracht van de daar liggende schepen en naar de thuishaven aan de Noord-Afrikaanse kust gebracht. De bevolking van Rome en de gebouwen in de stad waren gespaard. Aan deze plundering hebben de Vandalen een slechte naam over gehouden, maar aan echt vandalisme: zinloze vernieling, hebben zij zich niet schuldig gemaakt. Aan de vernieling van antieke gebouwen en monumenten, waarvoor de Vandalen eeuwen later werden aangeklaagd, hebben de Vandalen zich niet schuldig gemaakt. Dat waren meer de middeleeuwse pausen die het marmer en andere kostbare bouwmaterialen voor hun kerken en paleizen wilden gebruiken. In hetzelfde jaar (455) bezetten de Vandalen het eiland Corsica. Toen de schepen van Gaiseric de mond van de Tiber weer uitvoeren en de steven naar Afrika wendden waren zij beladen met kostbaarheden en voorname gevangenen. Ook keizerin Eudoxia - die door toedoen van de Vandalen nu voor de tweede maal weduwe was - bevond zich aan boord, samen met haar twee dochters, van wie er één met Huneric, de oudste zoon en erfgenaam van Gaiseric trouwde. Achter de vervagende einder lag Rome, diep vernederd. Zes eeuwen waren voorbijgegaan sedert een verbitterde Romeinse republiek Carthago met de grond gelijk had gemaakt en de bodem had omgeploegd. Nu had het rad der historie een omwenteling gemaakt. Het nieuwe Carthago had het oude gewroken. Na de plundering van Rome bleven de Vandalen en hun bondgenoten (Alanen) Sicilië en de kuststeden van Zuid-Italië overvallen en plunderen. De nieuwe keizer Avitus, was niet in staat daar een eind aan te maken. Hij vroeg hulp aan Constantinopel, maar stelde geen vertrouwen in haar generaal laatst bijgewerkt: 11-09-02 |