2740 |
Vandalen (Vandilii) : Gelimer (530-533) |
De invasievloot zou meer dan 1000 mijl door Vandaalse wateren varen en kon dus niet rekenen op versterkingen las zij eenmaal waren in Noord-Afrika waren geland. Bovendien zou de vloot wel eens worden afgesneden van de bevoorradingslijnen. Johannes van Cappadocië gaf hem ook de waarschuwing dat ook al zouden zijn tropen de overwinning behalen, zij nooit Afrika zouden kunnen behouden, als Italië en Sicilië in handen zouden zijn van anderen, terwijl als hij zou worden verslagen zijn hele rijk in gevaar zou worden gebracht. Kortom, succes op korte termijn zou hem geen blijvend voordeel opleveren, terwijl een mislukking wel eens de ondergang zou kunnen zijn van een bloeiende en welvarende natie. Een bisschop uit het oosten had hem echter verteld in een droom te hebben gezien de Almachtige hem zijn steun had beloofd in deze heilige oorlog tegen de Ariaanse Vandalen. Justinianus was er daarom van overtuigd dat God aan zijn zijdestond. In de zomer van het jaar 533, keek Justinianus de grote uit het raam van zijn paleis en zag hoe zijn vloot onder Belisarius de haven uit voer op weg naar Noord-Afrika. De vloot bestond uit 500 transportschepen, begeleid door 92 dromons (kleine lichte oorlogsschepen, gebouwd op snelheid en wendbaarheid). De vloot vervoerde 10,000 infanteristen, die gelegerd waren aan de oostelijke grens en 5,000 geoefende cavaleristen, waaronder 600 Hunnen en 400 Heruli, allen bereden boogschutters. Op het vlaggenschip van de vloot bevonden zich Justinianus militaire secretaris Procopius en diens echtgenote Antonina. Belisarius liet twee dronken Hunnen ophangen op de heuvel bij Abydos voor moord op een van hun kameraden. Een grote tegenslag was de dood van 500 mannen door het eten van beschimmeld beschuit, die was geleverd door Johannes van Cappadocië. Uiteindelijk arriveerden de schepen bij Sicilië, dat eens in handen was geweest van de Vandalen, maar dat 60 jaar daarvoor door koning Procopius bracht zijn vriend bij Belisarius om hem een ongelooflijk nieuws te brengen. Hij vertelde dat koning Slag bij Decium Gelimer koos als plaats voor de slag de tienmijlspaal en verdeelde zijn leger in drie groepen: zijn broer Ammatas kwam te vroeg in beweging. Belisarius was geïnformeerd omtrent de bewegingen van zijn vijand. Ammatas en zijn mannen reden in op de voorhoede, maar werd na een kort gevecht met een klein aantal keizerlijke soldaten gedood. Zijn mannen verloren de moed en sloegen op de vlucht. De aanval op de flank had niet meer succes. Als Gibamund snel genoeg was geweest om Ammatas bij te staan, dan hadden de twee divisies de strijd kunnen winnen. Maar Gibamund stuitte op de zoutvlakte op de Hunnen en Romeinen die drie keer zo groot waren in aantal en werd gedood. Gelimer viel met zijn hoofdstrijdmacht Belisarius in de rug aan. Romeinse en Hunse cavalerie reden op de Vandalen af. Gelimer liet halt houden en stelde zijn leger op in gevechtslijn voor hij tot de aanval op de vijandelijke cavalerie overging. De Vandalen wonnen de strijd doordat de cavalerie van de Romeinen en Hunnen in wanorde verkeerden en terugreden naar de hoofdmacht. Gelimer slaagde erin Belisarius en zijn generaals af te snijden van de hoofdstrijdmacht, maar Gelimer was van slag toen hij het dode lichaam vond van zijn broer Ammatas. Gelimer wilde niet verder optrekken voordat het lichaam was weggedragen. Belisarius nam hier zijn voordeel mee en sloot de Vandalen in en wist de Vandalen te verlaan. De weg naar Carthago was voor de Vandalen afgesneden en zij vluchtten de Numidische woestijn in. Carthago lag open voor Belisarius en zijn leger. De dag na de slag trok Belisarius op naar Carthago. Hij gaf zijn leger de opdracht niet buiten de stadsmuren strijd te leveren, uit vrees voor een Vandaalse valstrik. Voor hij de stad binnentrok beval Belisarius zijn soldaten de bevolking van de stad niet te doden of tot slaven te maken, want het waren Romeinse burgers die meer dan een eeuw londer de tirannie van de Vandalen hadden moeten leven. Nadat de poorten waren geopend, werden Belisarius en zijn soldaten binnengehaald als bevrijders. Carthage werd weer een Romeinse stad. Belisarius begaf zich dadelijk naar het paleis om plaats te nemen op de troon van de Vandalenkoning. Hij liet de versterkingen herbouwen en zijn vloot vond een schuilplaats in het meer van Tunis, vijl mijl ten zuiden van Carthago. De slag bij Ticameron Belisarius had de weken sinds de slag bij Ad Decium gebruikt om de wallen en forten te versterken. Omdat Belisarius een belegering niet wilde afwachten en bespeurd had dat de Hunnen door spionnen van Gelimer waren benaderd en dus niet meer te vertrouwen waren, gaf hij bevel de Vandalen op te zoeken in de strijd. De Hunnen en Germanen stelde hij op in zijn achterhoede. Op 15 december 533 barstte de strijd los. Belisarius had de Romeinse cavalerie opgesteld in de eerste lijn en de infanterie op de tweede lijn. De Romeinse cavalerie voerde drie maal een charge uit op de Vandaalse strijdmacht. Bij de derde charge vochten zijn soldaten man tegen man. Tzazo werd afgesneden van Gelimer, die op de vlucht sloeg. De linies van de Vandalen braken en Gelimer sloeg op de vlucht, direct gevolgd door zijn leger dat in een volslagen wanorde verkeerde. De strijd was voorbij. De Vandalen verloren 3000 man, waaronder gesneuvelden en gevangen genomen soldaten. Belisarius trok op naar Hippo , die zijn poorten onmiddellijk voor hem opende. Gelimer zag in dat zijn koninkrijk verloren was, maar wilde zich niet als eerste overgeven. Hij wilde zijn deel van de Vandaalse rijkdommen met zijn overgebleven aanhangers overbrengen naar het Visigotische rijk in Spanje, waar hij tijdelijk toevlucht wilde zoeken. In Zuid-Spanje bevonden zich nog afstammelingen van de Vandalen, die waren achtergebleven nadat Gaiseric in 429 de Straat van Gibraltar was overgestoken. ( Nadat Belisarius alle veroverde schatten en Vandaalse krijgsgevangenen aan boord had laten brengen, keerde hij terug naar Carthago. Justinianus gaf hem echter bevel terug te keren naar Constantinopel, want hij vreesde dat Belisarius zichzelf zou uitroepen tot koning van Afrika. Behalve de schatten en krijgsgevangenen, bevond zich ook Gelimer, de aan handen en voeten geketend was. De bevolking van Constantinopel gaven Belisarius en zijn mannen een grote ontvangst in het Hippodroom. Onder de schatten oorlogsbuit, die Belisarius soldaten met karladingen met zich meevoerden bevond zich de menorab, de heilige zevenarmige kandelaar die keizer Titus in 71 uit de tempel van Jeruzalem had geroofd en naar Rome had gebracht en door Gaiseric bij de plundering van Rome (455) als oorlogsbuit naar Carthogo had gevoerd. Gelimer werd geketend het Hippodroom binnengevoerd en uitgejoeld door de burgers van Constaninopel en voorgeleid aan de keizer, gezeten op zijn troon. “IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid” zou de laatste koning van de Vandalen hebben gemompeld, toen hij neerviel in het stof naast zijn overwinnaar. Hij weigerde het aanbod toe te mogen treden tot de orde der Patriciërs, indien hij zijn Ariaanse geloof zou afzweren. Wel accepteerde hij Justinianus' aanbod van een rijk landgoed in Galatia, waar hij met zijn familie de rest van zijn leven in vrede en veiligheid mocht doorbrengen. Meer dan 2000 gevangen genomen Vandalen waren minder fortuinlijk. Zij werden ingedeeld bij vijf keizerlijke regimenten, en zouden bekend worden als de Vandali Justiniani en moesten vechten aan het Perzische front. De overlevende Vandalen in Noord-Afrika leefden verder onder Romeinse heerschappij en gingen op in de toch al gemengde plaatselijke bevolking. Zij lieten niet veel meer achter dan langdurige verbittering. Sommige Vandalen vluchtten naar het Visigotische Spanje. |
laatst bijgewerkt: 22-07-02 |