2663

Franken - Childerik l (458 - 481)

Salische Franken (400 - 458) z. ook: Gallië (450 - 500) ; Lage Landen (400 - 500)

In tegenstelling tot andere grote groepen die hun land in de steek lieten om ergens anders van meet af aan te beginnen, breidden de Franken zich alleen maar in Noord-Gallië uit door middel van een reeks kleine uitvalletjes. Omdat deze bescheiden gebiedsuitbreidingen geen ernstige bedreiging vormden voor het Rijk, lukte het de Franken om zich te onttrekken aan de harde vergeldingsacties door de Romeinse troepen. De veelgeplaagde Romeinse bewindhebbers neigden ertoe om de Frankische overtredingen te vergeven en te vergeten.

De Franken hielden er echter andere opvattingen op na, Als enigen onder de Germanen koesterden zij een hevige wrok tegen het Rijk. Waarschijnlijk sproot deze uti herinneringen aan onderdrukking door een van de vroegere Romeinse opperbevelhebbers in Gallië en deze wrok heeft misschien hun sluimerende zin voor onafhankelijkheid en uitzonderlijkheid verscherpt. In een inleiding tot een zesde eeuwse codex voor stamrecht noemen de Franken zichzelf "het roemruchte volk, wijs in raad, edel van lichaam, stralend van gezondheid, uitnemend in schoonheid, stoutmoedig, snel, gehard ... zo is het volk dat het wrede juk der Romeinen van zijn nek schudde."

In de eerste helft van de vijfde eeuw voldeden de Franken nauwelijks aan die beschrijving van "stoutmoedig" en "snel"; "voorzichtig" en "vastberaden" zou juister geweest zijn. Zelfs in 480 nog maakte het Frankische koninkrijk maar trage vorderingen onder onbeduidende heersers. Niets wees erop dat het mettertijd het belangrijkste der Germaanse gewesten zou worden.

Childerik (Childeric) l (458 - 481)
Ook de informatie over het leven van Childerik, de zoon van Merovech, is veelal legendarisch. Hij zou ca. 436 zijn geboren in de Gallo-Romeinse nederzetting Doornik en volgde in 458 zijn vader Merovech op als koning van de Salische Franken. Tot zijn dood bleef hij een foederatus in dienst van Rome. Deze werd wanhopig verliefd op de dochter van een van zijn onderdanen. Deze waren daarover zodanig vertoornd, dat zij hem ertoe dwongen afstand te doen van de troon. Toen hij  ontdekte dat men hem uit de weg wilde ruimen (volgens de legende omdat hij te veel achter de meisjes aan zat), vluchtte hij naar Thuringia. Een goed vriend van hem bleef achter gaf hij de opdracht hem te berichten wanneer hij weer veilig kon terugkeren naar zijn koninkrijk. Childerik vond een schuilplaats bij  Bisinus, de koning van de Thüringse Franken en zijn vrouw Basina. De koning die de Salische Franken als opvolger van Childerik hadden gekozen, ontpopte zich intussen als een wrede tiran en na bijna acht jaar in ballingschap te hebben doorgebracht, werd Childerik in 463 door zijn onderdanen teruggeroepen en in ere hersteld.
Nadat hij weer de troon van zijn koninkrijk had bestegen, besloot Basina haar man te verlaten om bij Childerik te gaan wonen die vervolgens met haar trouwde. Samen kregen ze een zoon: Chlodovech (Clovis). Eenmaal aan de macht zette Childerik de expansiepolitiek van zijn vader voort. 

In het jaar 463 streed hij aan de zijde van de de Romeinse legeraanvoerder Aegidius tegen de Visigoten bij Orléans. De overwinning op de Visigoten werd gevolgd door overwinningen op de Saksen en in samenwerking met Odoaker, de koning van de Herulen, Sciri (Scyrri) en Rugii, op de Alamannen (469), waarna de Alamannen uit de Elzas en de Palts werden verdreven.

Daarna breidde Childerik het machtsgebied van de Franken uit tot de Somme en onderwierp hij een groot deel van Noord-Gallië. Zijn dochter Audofleda huwelijkte hij uit aan Ostrogotische koning Theoderic de Grote (493 - 526). Childerik werd een vorst van groot aanzien, wat blijkt uit zijn praalgraf dat in 1652 in Doornik bij toeval werd ontdekt en de daarin achtergelaten versierselen. De Franken lieten zich begraven samen met hun geliefkoosde voorwerpen (sieraden, ornamenten, wapens en zelfs hun paarden). 

Door de vondst van een zegelring met de inscriptie 'CHILDERICI REGIS' in het graf, neemt men aan dat koning Childerik er begraven ligt. Naast de zegelring zijn er nog vele andere gebruiksvoorwerpen gevonden die ervoor zorgden dat het graf al snel bekend stond als 'de schat van Doornik': een met goud ingelegde riem, gouden gespen, een gouden armband, een gouden broche (fibula), een Frankische werpbijl, de fittingen van een zwaard, de beroemde gouden bijen die Napoleon overnam als symbool van de Frankische heersers, een gouden stierenhoofd en een aantal munten. 

Rechts: Een negentiende-eeuwse geromantiseerde kijk op Childerics schat

Ongeveer twee eeuwen na de ontdekking werd de schat in het Cabinet des Médailles te Parijs tentoongesteld. In de nacht van 5 op 6 november 1831 brak een dief in bij het Cabinet en verdween met de hele vondst. De Franse politie vond na enkele aanwijzingen op de bodem van de Seine slechts een klein deel van de 'schat' terug, de rest was waarschijnlijk reeds omgesmolten. Een gouden gesp, een paar gouden bijen en een deel van de met goud ingelegde fittingen van het zwaard is alles wat nog van de schat over is. Door recentere opgravingen in de buurt is er meer licht op de opgravingen geworpen. In 1983 werden er op nog geen twintig meter van Childerics graf nog enkele graven gevonden, die aangeven dat het graf van de koning het centrum vormde van een begraafplaats dat tot aan het einde van de zevende eeuw in gebruik was. Er zijn drie grote putten gevonden met in elk de skeletten van zo'n tien paarden. Het is zeer verleidelijk om deze vondst met Childeric in verband te brengen. Het was namelijk een Germaanse gewoonte om bij de dood van een krijger zijn paard te doden en mee in het graf te stoppen. Door de moderne C-14 methode heeft men de paarden kunnen dateren en heeft men geconcludeerd dat ze uit dezelfde tijd dateren. 
(Bron: De schat van Doornik - Het Museum van de Vaderlandse Geschiedenis)

Childerik overleed in 481 in Doornik, toen de hoofdstad van het Merovingische rijk, op 45-jarige leeftijd.

Frankische rijk (481 - 500)

laatst bijgewerkt: 10-08-07

colofon