4500 |
Film en bioscoop |
![]()
De volgende stap was een schijf met bijvoorbeeld een tekeningetje van een mannetje waarvan de armen en benen steeds iets anders getekend stonden. Als de schijf snel gedraaid werd, bleef het mannetje te lopen. De Fransman Louis Jacques Mandé Daguerre demonstreerde in 1839 het door hem en zijn inmiddels overleden compagnon Joseph Nicéphore Niepce ontwikkelde fotografische procedé. Natuurlijk losten deze eerste pioniers het probleem van het weergeven van de beweging nog niet op. De Fransman Etienne Jules Marey en de Amerikaan Eadweard Muybridge creëerden met behulp van draaiende schijven en spiegels de illusie van beweging. Muybridge zette een hele rij camera's in het veld en spande draden die hij met de camera's verbond. Vervolgens liet hij een paard over de draden lopen. Telkens als het paard op een draad trapte, klikte een camera. Na afloop had hij een hele serie foto's waarop het paard telkens een stapje verder stond afgebeeld. Door die foto's snel achter elkaar te vertonen leek het net of het paard draafde. Thomas Edison, de bekende Amerikaanse uitvinder, die al jaren had geëxperimenteerd met het opnemen en terugspelen van geluid, keek met belangstelling naar deze experimenten. Zijn assistent William Dickson bouwde een camera die foto's nam op een doorlopende strook film, die beeldje voor beeldje voor de lens werd geschoven. Door de nawerking op het netvlies gaf de film de illusie van beweging en was het probleem opgelost. Rond 1884 maakte de Kinetoscope Company van Thomas Edison in Amerika korte filmpjes voor de kinetoscope, een apparaat waar na het inwerpen van een muntje één persoon door een soort trechter kon kijken naar een filmpje over een boxwedstrijd, een buikdanseres of een atleet die allerlei gymnastische toeren uithaalde. Maar er waren ook al enkele gespeelde komische scènes bij. Deze voorloper van het filmtheater heette in Amerika "nickelodeon"(nickel = muntje van 5 cent). Al snel begon men ook filmpjes te vertonen op doek en op 28 december 1895 werd door Auguste en Louis Lumière in het Grand-café op de Parijse Boulevard des Capucines de eerste filmvoorstelling gegeven voor een betalend publiek met hun cinematograaf, een camera die de film zelf kon afdrukken en projecteren. Lumière Bros. Cinematographe (1895) Al snel vonden Lumière, Charles Pathé en Léon Gaumont een publiek dat net zo bereid was om entree te betalen voor hun eerste blik op een verlicht doek waarover mensen, paarden en treinen zich bewogen al was die beweging nog zo houterig. In een Parijse bioscoop ontstond bijna paniek toen Lumière een film vertoonde van een trein die een station binnenrolde. Door de camera bij de opname voor de trein op te stellen, kreeg het publiek de indruk dat de trein dwars door de muur op hen afkwam, zodat men gillend op de vlucht sloeg. In die eerste dolle jaren was de beweging verreweg het belangrijkste element van de film. Maar al gauw wilde het publiek meer dan alleen beweging en daarmee brak het tijdperk van de verhalende film aan. One of the very first films by the Lumière brothers, "The Arrival of a Train at La Ciotat", from 1896 Kort voor 1900 waren er films te zien in grote tenten op de kermis. Het publiek verdrong zich om dit nieuwe wonder te kunnen zien. Al gauw kwamen er ook bioscopen in de steden. In Amsterdam werden de eerste films getoond in theater Flora in de Amstelstraat en theater Carré. Ze werden als vast onderdeel toegevoegd aan het variétéprogramma dat in dit theater werd opgevoerd. Het huisorkest van Flora speelde bij de filmpjes passende muziek. Het publiek keek met open mond naar het witte doek. Het plaatje flikkerde en trilde, het was zwak van licht, maar... het bewoog! De operateur draaide films nog met de hand. Als er veel publiek buiten stond te wachten, draaide hij gewoon wat harder. Op die manier kon hij meer voorstellingen geven. De eerste "vaste" bioscoop in Amsterdam was de voormalige voordrachtszaal van Odeon, oorspronkelijk een in tot patriciërshuis verbouwde brouwerij waar in 1838 een voordrachtszaal werd ingericht. De Odeon-bioscoop werd geopend in 1895. In 1898 kwamen er concurrenten bij: Grand Theatre Edison (van Chr. Slieker), de Bioscope American (Théâtre Levende Photografieën) en de Biograaf, een filiaal van The American Mutuscope & Biograph Company onder de naam Nederlandse Biograaf- en Mutuscope Maatschappij op de hoek van de Herengracht en de Utrechtsestraat (nr. 19). In 1910 werd op de Nieuwendijk Cinema Parisien geopend. De eerste bioscopen waren stoffige zaaltjes, met krakende houten stoeltjes. Parisien had echter geen stoelen. Er waren twee soorten voor het vertonen van films in gebruik: de Amerikaanse Bioscope (later Royal Bioscope) genoemd en de American Mutugraph. Het eerste apparaat baarden nogal wat opzien omdat het grote en zware apparaat met paard en wagen moest worden vervoerd. Aan dit apparaar danken wij het woord "bioscoop". In andere landen heet het cinema of Kino naar de Cinema- of Kinematograaf. Beide apparaten werden gebruikt voor de opnamen van de inhuldigingstocht van koningin Wilhelmina in 1898 in Amsterdam. Een film over Willem lll die met zijn rijtuig door het Vondelpark reed oogstte weinig succes. De film "Boeren naar de grens" over de Transvaalse Oorlog viel verkeerd, omdat één van de kranten had geschreven dat het hier helemaal niet ging over Zuid-Afrikaanse Boeren, waarmee de Nederlanders sterk sympathiseerden, maar om Engelsen, hun grootste vijanden. Er kwam geen hond kijken, waarna Nöggerath besloot zelf op het dak van zijn theater een film over Transvaalse Boeren in scène te zetten. De operateurs begonnen ook verschillende filmscènes aan elkaar te plakken. Het publiek moest er sterk aan wennen telkens van de ene scène naar de andere scène te "springen". The original movie vamp, Theda Bara, in a poster for J. Gordon Edwards' 1917 silent film "Cleopatra". Tot aan de eerste wereldoorlog hadden de films een duur van 15 tot 20 minuten. Actualiteiten werden vanaf vanaf het begin aangevuld met beelden van verre landen en volkeren, variéténummers en kluchten. Films die in de periode voor 1900 werden vertoond werden, waren: Het Spookkasteel, Eindelijk alleen, Bezet en De Muis. De meeste bioscopen hadden een explicateur in dienst, iemand die vertelde wat er in de film gebeurde. Soms gebruikte hij een aanwijsstok om iets duidelijk te maken. Hij kondigde ook de spelers aan en wees op de mooie decors. In de duurdere bioscopen werd de explicateur geholpen door pianist op een tinkelpiano die de dramatische momenten op welgekozen momenten aandikte en tevens dienst deed als geluidsman. Hij drukte op een belletje als op het doek de telefoon rinkelde, sloeg op een trommel als er klappen werden uitgedeeld, schoot met een revolver als er een schot moest vallen, deed met zijn voeten een rennende man en rammelde met een blik erwten als het in de film regende. Als op het doek een kostbaar maal werd genuttigd, zette de pianist "wie zal dat betalen?" in, bij de dood van een der hoofdpersonen was het altijd de treurmars van Chopin en aangezien het filmsprookje altijd uitliep op een trouwpartij, eindigde iedere voorstelling stevast met de Bruiloftsmars van Mendelsohn. Eén van de bekendste Amsterdamse explicateurs was Max Nabarro, die in verschillende theater heeft gewerkt. Hij bespeelde het bioscooppubliek als geen ander. Na afloop van de voorstelling kreeg hij van de bezoekers: chocola, bloemen of sigaren. Sommige dames vielen hem zelfs na de voorstelling om de hals. Lillian Gish as the tragic heroine of D. W. Griffiths' 1919 "Broken Blossoms". laatst bijgewerkt: 05-08-02 |