9101 |
Frankrijk (mei - juni 1789) |
![]() Voor de Franse Revolutie bestond uit Europa uit een aantal nationale staten; geen van deze staten streefde toen naar een overheersing van alle andere. Er bestond een soort machtsevenwicht. Dynastieke belangen speelden een veel kleinere rol dan in de voorafgaande eeuwen. In 1787 bleek dat het regeringssysteem dat een eeuw eerder door In 1788 was er een slechte oogst. Dat had tot gevolg dat de graanprijzen hoog waren. De voedselprijzen stegen, dat terwijl men toch de pacht moest blijven betalen aan de landeigenaar, de grondbelasting en vaak ook nog andere belastingen, afhankelijk van de streek waar men woonde. Rond 70 procent van het inkomen ging zo op aan belastingen. Daarbij kwam dat grote stukken land niet gebruikt werden, omdat de adel die voor de jacht gebruikten. In de steden was bevolking ook ontevreden. Fabrikanten wilden af van de strenge koninklijke voorschriften. Zij wilden geen regels voor werktijden en geen verbod om bepaalde machines te gebruiken. DE meer ontwikkelde burgers wilden meer zeggenschap, meer democratie. Onder invloed van de ideeën van de Verlichting wilden zij vrijheid van godsdienst en gelijke rechtspraak voor iedereen. Wie belastingen betaalde moest ook in staatszaken kunnen meebeslissen meenden zij. In 1788 was de staatsschuld zo hoog opgelopen dat er sprake was van een staasbankroet. Bezuinigingen waren onmogelijk en ook de belastingen konden niet nog eens worden verhoogd. De Revolutie in Versailles, 5 mei 1789
|
|
Op 5 mei was de eerste vergadering van elke stand apart. Op 13 juni sloten de lagere geestelijken zich aan bij de Derde Stand. Op 16 juni benoemde de Derde Stand (97 procent van de hele bevolking) zich tot "Nationale Vergadering". Zij weigerden verder de verdeling in drie standen te erkennen.Op 17 juni greep Louis XVl in. Hij liet de vergadering op slot doen, waarop de Nationale Vergadering uitweek naar de Kaatsbaan in de buurt.
Links: vergadering van de Staten Generaal (1789) |
De Eed van de Kaatsbaan, 20 juni 1789
In die vergadering beloofden men elkaar niet eerder uit elkaar te gaan voordat de nieuwe grondwet klaar was. Toen gaf de koning toe. De adel en de geestelijkheid moesten zich bij de Nationale Vergadering aansluiten. Voor de zekerheid haalde hij toch 18.000 soldaten naar Parijs en Versailles. De Vergadering werd besloten alle oude voorrechten van de adel en de geestelijkheid af te schaffen. De vergadering veranderde haar naam op 9 juli in Assemblée Constituante, dat wil zeggen de Grondwetgevende Vergadering. Rechts: de eed van de Kaatsbaan
|
![]() |
Jean-Sylvain Bailly beschrijft de gebeurtenissen als volgt: «De gemoederen waren verhit; er waren er die tot de extreemste standpunten overhelden en die van mening waren dat de Vergadering haar zetel naar Parijs moest verplaatsen, en dat men onmiddellijk te voet en in zijn geheel moest vertrekken [nu kwam zij bijeen in Versailles]; alles zou verloren zijn geweest als men deze gewelddadige richting was ingeslagen. Misschien zou men een regiment cavalerie hebben opgesteld om de mars te beletten, maar men zou in elk geval met de koning hebben gebroken en dat zou de allergrootste gevolgen hebben gehad; zou men dit plan naar voren hebben gebracht, dan viel te vrezen dat men het in de opwinding van het ogenblik ook nog bij acclamatie en zonder voorafgaand beraad had aangenomen. Een ander lid kwam met het denkbeeld van de eed en direct verhief zich een algemeen gejuich van goedkeuring; en na een betrekkelijk korte beraadslaging nam de Vergadering het volgende zo eenvoudige maar toch stoutmoedige besluit: ‘De nationale vergadering, overwegend dat zij geroepen is om de grondwet van het koninkrijk vast te leggen, het herstel van de openbare orde te bewerkstelligen en de ware beginselen van de monarchie te handhaven, stelt vast dat niets haar kan beletten om haar beraadslagingen voort te zetten, waar zij ook gedwongen zou zijn zich te vestigen, en ten slotte dat overal waar haar leden vergaderd zijn, daar ook de nationale vergadering is. Besluit dat alle leden van de Vergadering onmiddellijk de plechtige eed zullen afleggen om nooit uiteen te gaan en zich overal waar de omstandigheden het zullen eisen bijeen te komen, totdat de grondwet van het koninkrijk op hechte grondslagen is gevestigd en bekrachtigd; en dat na de eedaflegging alle leden en ieder van hen afzonderlijk dit onwrikbare besluit zullen bevestigen door hun handtekening.' Nadat dit besluit was genomen, verzocht ik in mijn kwaliteit van voorzitter de eed als eerste te mogen afleggen; de heren secretarissen vroegen hetzelfde. Toen wij deze plechtige eed hadden gezworen, legde de gehele Vergadering in mijn handen de eed af. De tekst ervan las ik met een zo luide en goed verstaanbare stem voor, dat mijn woorden door al het volk dat op straat stond, werden gehoord, en onmiddellijk daarop weerklonken, te midden van applaus, van de kant van de Vergadering en de menigte burgers die buiten stonden, de herhaalde en algemene kreten van ‘Leve de koning!' Zo had de Vergadering zich door haar vastberaden en dappere houding, ook toen zij de nodige voorzorgsmaatregelen tegen het ministerie nam en zich tegen het despotisme wapende, toch in hart en ziel met de koning verenigd en daarbij had zij zeker niet de bedoeling iets tegen zijn wettige gezag te ondernemen. Zij had er zelfs zorg voor gedragen om in haar verklaring op te nemen dat een van haar plichten was om de ware beginselen van de monarchie te handhaven, ten einde aan een ieder duidelijk te maken dat wat er ook aan vijandigs in haar maatregelen lag, dit alleen tegen het despotisme en niet tegen de monarchie was gericht.» Daarna gebeurde er van alles snel achter elkaar |
laatst bijgewerkt: 04 -04 -04 |