8032

Habsburgse Rijk (1625 - 1648)

Habsburgse Rijk (1612-1625)
 

De dertigjarige Oorlog en de vrede van Westfalen

De Dertigjarige Oorlog, aanvankelijk een godsdienststrijd, werd al snel tot een Europese machtsstrijd tussen de Habsburgers, Frankrijk, Spanje en Zweden. Deze oorlog werd grotendeels in Duitsland uitgevochten, waarbij grote delen van het land verwoest werden en de bevolking werd gehalveerd.

Aan de Dertigjarige Oorlog kwam tenslotte een einde met de Vrede van Westfalen (1648). Van zeer groot belang waren de politiek-religieuze bepalingen hierin, met name de gelijkberechtiging van katholicisme, lutheranisme en calvinisme. Een ander resultaat was dat de Verenigde Provinciën en Zwitserland niet langer deel uitmaakten van het Rijk. Duitsland bleef bovendien versnipperd in honderden vrijwel geheel soevereine staten en staatjes, die ook een eigen buitenlandbeleid voerden, met eigen legers en milities. Het keizerschap bleef een eerder symbolische titel, maar was sinds 1453 veelal verbonden met de feitelijke macht die de Habsburgers in hun eigen Oostenrijk bezaten.

In 1625 greep de Deense koning Christiaan lV in. Engeland en Holland hadden hem daartoe aangespoord. De successen van de katholieken zouden voor de protestantse staten in het noorden een groot gevaar kunnen betekenen. Ook de Franse kardinaal Richelieu had ertoe aangedrongen. Hij wilde een al te snelle machtsuitbreiding van de Duitse keizer stuiten. Maar het leger van Christiaan was niet sterk genoeg om het tegen de keizer op te kunnen nemen. (1626) Koning Gustaaf Adolf van Zweden probeerde hem nog over te halen met hem samen tegen de keizer te strijden. Christiaan ging echter liever in op de hem aangeboden aantrekkelijke vredesvoorwaarden, waarbij hij Holstein, Sleeswijk en Jutland mocht houden en van een blokkade van de Sont werd afgezien, als hij beloofde zich niet meer in de aangelegenheden van het Duitse rijk te mengen. De keizer en de katholieken waren nu heer en meester over geheel Duitsland. Maar het verzet groeide. 

links: Gustav Adolf

De troepen van Wallenstein, de keizerlijke opperbevelhebber van het leger, hadden zich overal gehaat gemaakt door de meedogenloze manier waarop streken, waar ze doorheen trokken of waar ze in kwartier lagen, werden uitgezogen. Niemand wilde dat de keizer met behulp van Wallensteins leger de alleenheerschappij over het rijk zou verwerven. Onder druk van de keurvorsten werd Wallenstein als opperbevelhebber ontslagen (1630). In hetzelfde jaar landde de Zweedse koning Gustaaf Adolf met een groot leger op de noordkust van Duitsland. Dat de Zweedse koning was het niet zozeer een strijd om het geloof, als wel om handelsbelangen. Wallenstein had ernaar gestreefd de keizerlijk heerschappij verder uit te breiden over de gebieden aan de Oostzee. Dat zou een bedreiging betekenen voor de Zweedse Oostzee-handel. In zijn strijd tegen de Habsburgse keizer kon Gustaaf Adolf rekenen op de steun van kardinaal Richelieu. Richelieu beschouwde Gustaaf Adolf slechts als werktuig om de Habsburgse keizer uit te putten door de oorlog slepende te houden. Daardoor zou Frankrijk in de gelegenheid worden gesteld om de leidende staat in Europa te worden. 

rechts: Wallenstein

Nadat dit leger met geld uit Frankrijk tot dubbele omvang was vergroot, was het de in die tijd best bewapende, getrainde en gedisciplineerde strijdmacht sinds de Romeinse legioenen. Strategisch was de Duitse veldtocht van Gustaaf Adolf een strijd om de rivieren. De waterwegen waren in die tijd de beste wegen  om goederen te transporteren en bovendien waren de rivieren van belang als verdedigingslinies. Nadat de rivieren van de Newa tot de Weichsel onder Zweedse heerschappij waren gebracht, volgden de Oder- en Elbe-linie. Vervolgens trok Gustaaf Adolf op naar de Rijn, de belangrijkste rivier van Duitsland. Langs de Main, een zijrivier van de Rijn, de Donau en de zijrivier de Lech trok hij tenslotte het katholieke Beieren binnen. Gustaaf Adolf maakte al plannen om via de Donau naar Wenen op te rukken, toen de keizer besloot Wallenstein opnieuw als veldheer aan te stellen. 

In de zomer van 1632 streden de legers een uitputtingsoorlog die aan beide zijden talloze mensenlevens eiste. Bij Lützen werd de beslissende slag gestreden. De Zweden behaalden de overwinning, maar de Zweedse koning was in de slag gesneuveld. Na de dood van Gustaaf Adolf ontstond er in het Duitse protestantse kamp onenigheid. De keurvorsten van Brandenburg en Saksen die aan de kant van Zweden tegen de keizer hadden gestreden onderhandelden in het geheim met Wallenstein. In plaats van de grote vredestichter werd Wallenstein plotseling allen tot vijand. Tijdens een banket werd hij door enkele van zijn officieren vermoord. 

Met vereende krachten keerden de keizerlijke legers zich daarna tegen de Zweden om hen uit Zuid-Duitsland te verdrijven. Bij Nördlingen werden hen een zware nederlaag toegebracht (1634). De meeste protestantse Duitse vorsten sloten toen haastig vrede met de keizer. Nu was het de beurt aan Frankrijk om in te grijpen. De Fransen wilden die gelegenheid tegelijk te baat nemen om het veel omstreden grensgebied Lotharingen en zo mogelijk ook de Elzas bij Frankrijk in te lijven. Met de hulp van de hertog van Weimar lukte. 

Daarna bestreden de Franse legeraanvoerders Turenne en Condé met succes de Habsburgse legers in West-Duitsland en de Spaanse Nederlanden (1639). Ook in Italië vochten Franse troepen. Ook de Zweden herstelden zich en zetten de strijd met succes voort. De Duitse oorlog werd zo een Europese oorlog. Daarbij ging het nu niet meer om de godsdienst, maar was het puur een veroveringsoorlog geworden.

Ferdinand lll Keizer van het Heilige Roomse Rijk (1637 - 1657), Koning van Bohemen (1627 - 1657), Koning van Hongarije (1627 - 1657), Aartshertog van Oostenrijk (1637 - 1657)

Intussen was keizer Ferdinand ll opgevolgd door zijn zoon Ferdinand lll (1637-1657). Hij stond veel minder dan zijn vader onder invloed van de Jezuïeten. Sinds zijn troonsbestijging in 1637 had hij vrede gewenst. Hij was evenals zijn onderdanen de oorlog moe. De verschrikkingen van de oorlog waren enorm; in sommige streken was soms meer dan de helft van de bevolking door honger, pest en oorlogsgeweld omgekomen. In Württemberg en Thüringen was zelfs viervijfde van de bevolking gesneuveld. Nog hoger lag het cijfer in de Palts, dat tot de zwaarst getroffen gebieden behoorde. Bohemen had bij het uitbreken van de oorlog meer dan vier miljoen inwoners, aan het einde ervan nog slechts 800.000. Vele Duitse dorpen en stadjes waren van de aardbodem weggevaagd; akkers waren overwoekerd, wegen en bruggen vervallen. In sommige streken konden wolven en andere roofdieren zich ongehinderd vermenigvuldigen; in grote troepen vielen ze zelfs de stadsbevolking aan.  Het duurde echter nog vele jaren voor er werkelijk vrede kwam. 

Habsburgse Rijk - Oostenrijk (1648 - 1700)

laats bijgewerkt: 21-02-10

colofon