4014

Gregorius l Magnus (Gregorius de Grote) (590 - 604)

Gregorius l was de 64ste paus. Hij bekleedde het pontificaat van 590 tot aan zijn dood in 604 en geldt als een van de kerkvaders. Paus Bonifatius VIII verleende hem in 1295 de eretitel van kerkleraar. 

Als jonge Romein volgde Gregorius de aspiraties van zijn voorname familie en kwam in de Romeinse magistratuur en werd praetor van Rome. Gregorius stond bekend als een goede administrateur en organisator. In 573 werd hij prefect van Rome. Na de dood van zijn vader in 574 besloot Gregorius zijn wereldlijke leven op te geven en trok hij zich terug in het paleis op de Monte Cello dat hij ombouwde tot een klooster om zich, volgens de regels van Benedictus van Nursia ongehinderd door zorgen en verantwoordelijkheden, aan meditatie en het zoeken naar het onvergankelijke te kunnen wijden.  Hier werd hij door paus Pelagianus II in 579 tot diaken gewijd. Gregorius was zeer onder de indruk van de Regula Benedicti (Benedictijnse regels). Hij schreef een biografie over Benedictus van Nursia als tweede boek van zijn Dialogen, waardoor het Benedictijnse kloosterdom nog populairder werd. Zijn Dialogen was zo populair dat het naar verschillende talen werd vertaald, met het resultaat dat Gregorius in het Oosten bekend kwam te staan als Gregorius de Dialogist. Hij was een aanhanger van de ideeën van Augustinus van Hippo.

Hij reorganiseerde de financiële structuur van het pausdom. Bij de invallen van de Longobarden in Italië in de jaren na 568 (z. Het rijk van de Longobarden (555 - 600)) nam hij persoonlijk de verdediging van Rome op zich en onderhandelde hij over vrede. Het openbare leven kwam in pauselijke handen terecht. Zo legde hij ongewild de basis voor de pauselijke staat. Paus Pelagianus II benoemde hem tot gezant aan het hof van Constantinopel (Byzantium) en keerde na zes (een andere bron zegt negen) jaar weer terug naar zijn klooster. 

Hij wilde naar Brittannia als missionaris. Hij was reeds op weg toen paus Pelagianus stierf aan de pest. Het volk riep Gregorius terug en op 3 september 590 werd de 50-jarige Gregorius eenstemmig tot paus gekozen. Met tegenzin aanvaardde hij zijn benoeming, want Engeland was nog steeds zijn doel. Onder hem nam de kerstening van het Angelsaksische Engeland een aanvang. Hij stuurde de Benedictijner monnik Augustinus met 12 gezellen naar Brittannia om het missiewerk te beginnen. In 597 zette Augustinus samen met een groep volgelingen in Kent voet aan wal. Gregorius was de eerste paus die probeerde het christendom te verspreiden onder heidense volken buiten het keizerrijk. Oorspronkelijk meende hij dat in Engeland, na de bekering van de vorst met behulp van de macht van de staat het heidendom kon worden uitgeroeid. Tempels zouden worden vernietigd, heilige bomen worden omgehakt, heidenen bekeerd en onwilligen vervolgd. 

 

Pas na nadere informatie over de toestand in Engeland, wijzigde hij zijn strategie door de heidense gebruiken te christianiseren. De tempels van de goden moesten veranderd worden in christelijke kerken, zodat heidenen, die op dezelfde plaats hun eredienst bleven vieren, zich geleidelijk op "de ware god" zouden richten. Heidens gebruiken hoeven niet volledig te worden uitgeroeid, maar kunnen gebruikt worden om nieuwe christenen geleidelijk "verder tot God te brengen". Op die manier kon hij ook gebruik maken van het geloof in wonderen en bijgeloof op het niveau van een eenvoudige en verstandige vroomheid brengen.

Hij verbeterde de kerkelijke discipline want de kerk was, zoals hij zei, als schip een wrak, toen hij het roer overnam. Gregorius moest opkomen voor Rome tegen de aanmatiging van de patriarch van Constantinopel, die zich 'Algemeen Patriarch' noemde. In tegenstelling daarmee noemde hij zich 'Dienaar der Dienaren Gods', welke titel door de latere pausen werd overgenomen. Hij heeft veel aandacht besteed aan de armen, die hij in zijn huis uitnodigde om mee te eten.De grondslag voor de hoge positie van het pausdom in de middeleeuwen ligt bij hem ten grondslag. Hij heeft veel voor de kerkelijke muziek gedaan. (Gregoriaanse gezangen). 

De boeken die Gregorius schreef waren praktisch van aard in tegenstelling tot de veelal meer filosofische werken van de andere drie kerkvaders Augustinus van Hippo, Hiëronymus van Stridon en Ambrosius van Milaan). Gregorius I breidde de macht van de paus en de bisschoppen uit en creëerde een theoretische basis voor de leiding van de kerk. 

Zijn naam leeft voort in het gregoriaans, hoewel het betwijfeld wordt welke invloed hij op de kerkmuziek heeft uitgeoefend. Het gregoriaans werd door Gregorius weliswaar vastgelegd en in codices aan de kerken van de Latijnse ritus opgelegd, maar de teksten en melodieën van de zangwijze waren toen al eeuwenoud. Gregorius gaf instructies om de heidense tempels en weekdagen in het christendom te integreren, waarmee hij deze al gangbare praktijk voortzette.

Het pontificaat van Gregorius duurde veertien jaar en hij is de geschiedenis ingegaan als "de Grote". Men heeft zich daar wel eens over verbaasd. Wie alleen bestuurlijke resultaten wil tellen, kan twijfelen aan zijn succes. Toch zijn van geen paus voor de twaalfde eeuw zoveel officiële brieven - bijna 900 - bewaard gebleven. Blijkbaar was Gregorius een voorbeeld van de Roomse bureaucratie en een standaard voor het juiste bestuur van de kerk voor volgende pausen. Als denker en theoloog was Gregorius zelden origineel, en wanneer hij bij uitzondering een probleem probeerde op te lossen, zijn zijn gedachten simpel, soms wel ruw en grof. Toch gold Gregorius in de middeleeuwen als de laatste van de vier grote leraren van de kerk en werd hij in één adem genoemd met Ambrosius, Hiëronymus en Augustinus.

Alle rampen van zijn eeuw, pest, hongersnood en oorlog, de trits die die de samenvatting van alle tegenspoed zou blijven, zag Gregorius als tekenen van een naderende eindtijd; ze hadden voor hem een apocalyptische gestalte. Kort na de aanvaarding van het pausschap omschreef hij de toestand van de wereld zo: "Wat is er aan geluk gebleven in de wereld? Overal horen we zuchten. Onze steden worden verwoest, onze versterkte plaatsen ingenomen; onze akkers liggen braak; het land is een woestijn geworden. Op het platteland zijn geen bewoners meer, nauwelijks bewoners in de steden. De rest van de mensheid wordt dagelijks en zonder ophouden onderdrukt." Volgens Gregorius had God niet alleen alles in de hand, maar manifesteerde Hij zich in alles. Ook in het werk van de duivel, die hij, als bij Job, als de grote beproever erop uitgestuurd wordt.

Het besef vlak voor het einde der tijden te leven, weerhield Gregorius er niet van op grote schaal activiteiten te ontplooien, niet alleen als bisschop van de kerk van Rome - inmiddels de grootste particuliere landeigenaar van Italië, met bezittingen die over het hele gebied van de Middellandse Zee verspreid waren - maar ook op werelds gebied. Hij organiseerde de verdediging van Rome tegen de Longobarden, wierf troepen, organiseerde militaire campagnes en sloot zelfs op eigen gezag, los van de keizer en zijn zwakke vertegenwoordigers een vredesverdrag. Toch wendde Gregorius zich geheel af van het Oost-Romeinse gezag. Uit Gregorius' brieven blijkt dat hij het Romeinse rijk nog steeds beschouwde als het belangrijkste en vanzelfsprekende kader van de kerk. De politieke gedachte om het het westerse christendom onafhankelijk te maken van het keizerrijk, lag nog buiten Gregorius' gezichtsveld. Alleen de intellectueel Augustinus had de gedachte geopperd dat het christendom in wezen onafhankelijk was van de politieke organisatie van het Romeinse Rijk.

De erenaam "de Grote" kreeg hij in de negende eeuw van zijn biograaf Joannes Diaconus. Op 12 maart 604 stierf Gregorius. Hij ligt begraven in de Sint Pieter te Rome. 

Pausen (604-700)

Gemaakt: 27-07-10

colofon