2991

Polen (1200 - 1300)

Polen (900 - 1200)

Met de verdeling van de Poolse gebieden na de dood van Boleslaw lll Krzywousty (1102-1138) onder zijn vier zoons was een 150-jarige periode begonnen van onenigheid en geleidelijk verval. De prinsen voerden elk een onafhankelijke politiek en verdeelden hun land weer onder talloze erfgenamen waardoor het rijk werd opgedeeld in steeds kleinere hertogdommen. Het gevolg hiervan was dat de adel en geestelijkheid steeds meer macht kregen. Het gebrek aan samenwerking zorgde ervoor dat het zuiden in 1241 werd binnengevallen door Tataren onder BatoeChan (Khan) die in 1241 Legnica (Leignitz) veroverden (z. Europa 1200-1300)

Een legende zegt dat de torenwachter op de grootste toren van de O.L.V. -kerk op de Grote Markt het alarm blies voor de naderende inval, toen de stad in feest was (Hejnal) en helemaal geen aanval verwachtte. Voor hij dit kon beëindigen, werd hij door een pijl getroffen. De plots onderbroken Hejnal wordt nog altijd elk uur geblazen vanaf dezelfde toren ter herinnering.

Na de dood van Ugadai Khan in 1227, werden alle Mongoolse leiders opgeroepen om een nieuwe Kan te verkiezen. De Tataren trokken zich terug uit Europa, maar Polen bleef meer dan ooit verdeeld achter. In 1259 en 1287 vielen de Tartaren nogmaals Polen binnen. Zij drongen dit maal door tot in Silezië en verwoestten de stad Kraków.

Het noorden had te lijden onder een immigratiegolf vanuit Pruisen. Zij bouwden of herbouwden de verwoeste steden, waaronder Wrocklaw (Breslau), Poznan (Posen), Kraków (Krakau). De nieuwe immigranten veroverden zich een zekere autonomie en stelden zich meermaals op tegen de Poolse monarchie. Bovendien kregen zij een groot deel van de economische macht in handen. 

In 1225 deed de Poolse hertog van Konrad van Mazovië een beroep op de kruisridders van de Duitse Orde (Teutoonse ridders) om de Prussen te verdrijven uit het Poolse gebied. De Prussen waren een stammengroep die behoorde tot de Baltische taalgroep, die nog steeds heiden waren. Hierin was de Duitse Orde, met steun van kruisvaarders en de Poolse adel, zo succesvol, dat in 1283 de overlevende helft van de Prussen tot overgave gedwongen werd. Tegelijkertijd werd de Orde der Zwaardbroeders die in Lijfland (ongeveer huidig Estland) actief was, in 1237 opgenomen in de Duitse Orde. Hiermee kreeg de Duitse Orde een groot stuk territorium erbij en ontstond de zogenaamde Ordestaat. Het was een unicum in de Middeleeuwen dat een geestelijke orde een eigen vorstendom kon verkrijgen van een dergelijke grootte.

In 1275 hadden de ridders hun taak volbracht en de Prussen verdreven uit Pomorze (Pommeren) en Gdansk (Danzig). Een confederatie van de ridderordes met semi-onafhankelijke steden (de Hanza-liga) zou tot in de 16e eeuw de controle houden over de Baltische streken en op de handel. De Polen hadden geen vrije toegang meer tot de Oostzee en werden bovendien bedreigd door Bohemen vanuit het zuiden en Litouwen vanuit het oosten. Slask (Silezië) ging verloren aan Bohemen. Ook intern ging het slecht door de onafhankelijke positie en verdeeldheid van de adel en de steden. 

Polen (1300-1400)

laatst bijgewerkt: 27-04-05