5532

(U)Trecht (800 - 1100)

 Utrecht (47 - 800)

Tussen 834-842 werd Trecht en de omringende streken door de Noormannen geteisterd ( De Lage Landen (800 - 850)) en de Noormannenaanvoerder Rorik dwong keizer Lotharius het leenheerschap af over Dorestad en Walcheren (841). 

De bisschoppen Hunger (voor 854 - 866) en Adalbold l (866-899) verlieten Trecht en tot aan 918 werd er voornamelijk zitting gehouden in Deventer.Van de plunderingen door de Noormannen waren de bewoners van de Lage landen echter nog niet af. In 864 kwamen de Friezen tegen Rorik  in opstand  en wisten hem daarbij te verjagen, maar keizer Lotharius ll herstelde hem in zijn functie. 

Na 873 horen we niets meer van Rorik. In 879 kwamen de Noormannen terug, nu onder leiding van Godfrid "de Noorman", de zoon van de Deense koning Harald III en een neef van Rorik. Enkele jaren achtereen teisterde hij met zijn roofzuchtige troepen. de Lage Landen. Aan zijn schrikbewind kwam pas een eind nadat Godfrid in juni 885 was vermoord. Keizer Arnulf wees Eberhard aan als opvolger van Godfrid. Na enkele omzwervingen vestigde bisschop Odilbald (Adalbold) van Utrecht (866/70-899) zich op aanraden van keizer Arnulf van Karinthië in Deventer. Waldger III, de graaf van Teisterbant,een afstammeling van een geslacht dat al eeuwenlang in Friesland gevestigd was en mogelijk Fries koninklijk bloed in zijn aderen had, had lijdzaam moeten toezien hoe een "buitenlander" de belangrijkste baan in zijn vaderland had gekregen. Liever had hij gewild dat de bisschop zich in Nifterlake (Utrecht), onder zijn eigen invloed zou vestigen, maarEberhard was er tegen, waarop Waldger Eberhard in 898 uit de weg liet ruimen. ( De Lage Landen (850 - 900))

Bisschop Radboud (899/900 - 917) behoorde tot een aanzienlijke Frankische familie. Zijn moeder was van Friese afkomst en een afstammelinge van de beruchte Friese aanvoerder Redbad († 719). Rond het jaar 1000 werd Trecht in de as gelegd bij de aankomst van de Noormannen, de Utrechtenaren hadden dit zelf gedaan zodat de Noormannen bij een belegering van de stad niet via de daken van de huizen over de muur konden klimmen. Zoals Alpertus van Metz schrijft: "Op het vernemen van de komst van de vreemdelingen, hebben de Utrechters zelf de gehele koopmanswijk in brand gestoken, opdat de vijanden daarvan geen voordeel zouden hebben als ze de burcht wilden belegeren." Maar toen de Noormannen aankwamen bleken ze echter met goede bedoelingen gekomen te zijn, schrijft Alpertus van Metz: "Ze smeekten dat men hun binnen de muren zou laten. De reden van hun bezoek was louter godsdienstig: ze wilden de kerk eren met hun offergaven". Radboud week - evenals zijn voorgangers Hunger en Adalbold hadden gedaan - uit naar Deventer. Als bisschop was Radboud de belangrijkste vertegenwoordiger van het Oost-Frankische gezag in noordelijk Nederland. In 911 echter kwam het hertogdom Lotharingen, waarbinnen het bisdom Utrecht lag, aan het West-Frankische rijk. Radboud lijkt daarna te hebben geweifeld tussen trouw aan zijn oude koning trouw en aansluiting bij de nieuwe vorst. Radboud stierf in Ootmarsum op 29 november 917. Hij werd bijgezet in de Lebuinuskerk van Deventer. Zijn opvolger Balderik had hij zelf aangewezen.

In 918 bevrijdde graaf Ricfried in de Betuwe, Trecht van de Noormannen, waardoor de bisschopszetel weer van Deventer naar Utrecht verplaatst kon worden. Ricfrieds zoon Balderik werd ingewijd als bisschop. Hij begon aan de wederopbouw van het bisdom en de kerkgebouwen. Ook liet hij de oude Romeinse muren herstellen. Dat was bijzonder nodig, vanwege de vele vijandelijke aanvallen op de positie van Utrecht. Binnen de versterkte muren herbouwde Balderik de beide kerken en de woningen voor zich zelf, de geestelijken, de bedienden en soldaten. Dat gebeurde op en om het huidige Domplein.

Sinds 923 was Balderik een getrouw aanhanger van de Saksische koningen Hendrik I en Otto I. Hendrik I liet de zorg voor de opvoeding van zijn, voor de geestelijke stand bestemde, zoon Bruno over aan Balderik Voor de Utrechtse kerk ontving Balderik van Otto I belangrijke schenkingen. Daarmee werd het tijdperk van de grote territoriale macht van het bisdom ingeluid. De Lage Landen (900 - 1000)

Utrecht, zoals de stad nu steeds vaker werd genoemd, bestond in deze tijd eigenlijk uit twee steden. In de eerste plaats had je het centrum van geestelijke bloei en geleerdheid en deze bevond zich op en om het Domplein. Op het Domplein, binnen de stadsmuren waren gebouwd: De St. Maartensdom, de kapittelkerk van St.Salvator, het kasteel van de bisschop, de woningen van kanunniken en woningen van andere bewoners. Een geheel andere functie kreeg de burgerstad Utrecht (de stad der leken). Waarschijnlijk bevond deze stad zich op de plaats van de huidige Steenweg.  In deze stad der leken bevonden zich woningen van handelaren en ambachtslieden, hun bedrijven en een aanlegplaats voor schepen. Deze 'stad' lag buiten de stadsmuren van het Domplein en was dus ook erg vatbaar voor aanvallen van buitenaf, zoals van de Noormannen.  Als handelsplaats trok het kooplieden uit geheel West-Europa aan. Fransen, Duitsers, Engelsen en natuurlijk de Nederlanders zelf. Ook de Noormannen behoorden nu tot de vaste bezoekers. Door een krachtig nieuw gezag in eigen landstreken, werd hun het zeeroven en plunderen onmogelijk gemaakt. Daarom zochten en vonden deze bekwame zeevaarders rustiger bronnen van inkomsten.Denen, Noren en Zweden, waren op een enkele uitzondering na, welkome gasten.Al deze handelaren en kooplieden ontmoetten op de vele markten de inwoners van Utrecht. Andersom zwermden de Utrechtse kooplieden uit naar alle windstreken om hun waren aan de man te brengen of om juist goederen in te kopen voor latere verhandeling. 

Rechts: Reconstructie van het keizerlijk paleis dat de Duitse keizer in 1040 in Utrecht: Het paleis Lofen lag aan de Vismarkt. De naam Lofen is waarschijnlijk afkomstig van een soort balkon (loggia, Laube) dat het paleis ooit gesierd moet hebben. Door stadsbranden in 1131 en 1253 werd dit paleis verwoest.
De Utrechtse kooplieden woonden dicht bij de aanlegplaatsen van de schepen, die langs de Rijn vaarden.Dat was kort bij de zogenaamde "stathe" oftewel kade, die ongeveer op de plaats van de huidige Steenweg was gelegen. Het water zelf was niet van dijken voorzien. De houten huizen lagen dan ook niet langs het water, maar ertegenover op hooggelegen zandruggen, die door de rivier in vele eeuwen waren gevormd. Bij deze stathe werd rond 925 de Buurkerk gebouwd. Aan de Steenweg en de Zadelstraat werden later weer op hooggelegen zandruggen, woningen gebouwd. Op die plaatsen werden ook de Jacobikerk, de Nicolaaskerk en de Geertekerk gebouwd als middelpunt van groepjes huizen.

Samen met het oudere deel rond de Buurkerk, vormden zij een samenhangend geheel.(de foto's van de Buurkerk en Geertekerk zijn slechts symbolisch, ze geven een moderne versie van beide kerken weer.) In deze nederzetting leefden kooplieden en ambachtsluiden, maar ook adelen en boeren.Al die mensen vormden samen een stedelijk gemeenschap, die vanaf het ontstaan van rond 900 streefde naar een eigen vorm en dan los van de oudste kern van de nederzetting namelijk de bisschopsburcht. Die innige wens ging in de 12e eeuw in vervulling. In een kleine 200 jaar van 925 tot 1122, vergroeide Utrecht tot de grootste stad van de Noordelijke Nederlanden. Dat zou het tot rond 1500 blijven.

Utrecht kon zich in die tijd vrijwel geheel bedruipen; er was geen of weinig aanvoer van producten van buiten de stad. Nadat bisschop Balderik de stadsmuur weer verstevigd had, bloeide de handel enorm op, vooral omdat de handelaren en ambachtslieden in geval van nood konden uitwijken naar de bisschoppelijke burcht achter de muren.

In 1017 brandde de Maartenskerk (de Dom) totaal uit. Zes jaar later was de kathedraal weer in alle glorie hersteld.Met grote feesten werd het gebouw door bisschop Adalbold opnieuw in gebruik genomen. De opvolger van Adalbold, werd bisschop Bernold (1027-1054).

Onder bisschop Bernold (1026/1027 - 1054) ging het bisdom van Utrecht onder het Duitse rijk vallen. Ook werd er een kruis van kerken gebouwd met de Dom als middelpunt, zo verrezen de St.Pieterskerk, de St.Paulusabdij en de St.Janskerk.

In de St. Pieters kerk in aan de oostkant liet de bisschop zich na zijn dood begraven in plaats van in de Dom, de gebruikelijke laatste rustplaats van de bisschoppen. Aan de Noordkant van het kruis kwam de St. Janskerk te liggen, naar architectuur een tweelingzuster van de Pieterskerk maar toch met een geheel eigen karakter. Beide gebouwen bestaan nog grotendeels. Van de iets jongere Paulusabdij in de zuidelijke arm van het kruis is alleen nog een stukje van de gevel over. Dat fragment bevindt zich in de Hofpoort. Dat is een zijsteeg van de Nieuwegracht, dat uitzicht geeft op het gerechtshof, dat gebouwd is op de plaats waar eens de Paulusabdij stond.

In 1085 werd het kerkenkruis voltooid met de Mariakerk. Dit gebouw was van werkelijk grootste allure. Helaas is ook die in Italiaanse stijl gebouwde kerk al weer verdwenen op een fragment van de kloostergang na. Dat is te vinden achter het conservatorium aan de Mariaplaats. Er waren of werden nog veel meer kerkelijke gebouwen gebouwd. Vierentwintig grote en kleine kloosters en elf gasthuizen, waarin vreemdelingen onderdak konden verkrijgen. Ze dankten hun ontstaan aan de nabijheid van de bisschop, de vrijgevigheid van de rijke adellijke grondbezitters, de welvarende kooplieden en de offerbereidheid van de hardwerkende ambachtslieden. 

 

Utrecht (1100 - 1500)

Gemaakt: 28-01-04

colofon