5532 |
(U)Trecht (800 - 1100) |
![]() |
![]() |
Tussen 834-842 werd Trecht en de omringende streken door de Noormannen geteisterd (![]() ![]() De bisschoppen |
Na 873 horen we niets meer van Rorik. In 879 kwamen de Noormannen terug, nu onder leiding van Godfrid "de Noorman", de zoon van de Deense koning Bisschop In 918 bevrijdde graaf Ricfried in de Betuwe, Trecht van de Noormannen, waardoor de bisschopszetel weer van Deventer naar Utrecht verplaatst kon worden. Ricfrieds zoon Sinds 923 was Balderik een getrouw aanhanger van de Saksische koningen |
Utrecht, zoals de stad nu steeds vaker werd genoemd, bestond in deze tijd eigenlijk uit twee steden. In de eerste plaats had je het centrum van geestelijke bloei en geleerdheid en deze bevond zich op en om het Domplein. Op het Domplein, binnen de stadsmuren waren gebouwd: De St. Maartensdom, de kapittelkerk van St.Salvator, het kasteel van de bisschop, de woningen van kanunniken en woningen van andere bewoners. Een geheel andere functie kreeg de burgerstad Utrecht (de stad der leken). Waarschijnlijk bevond deze stad zich op de plaats van de huidige Steenweg. In deze stad der leken bevonden zich woningen van handelaren en ambachtslieden, hun bedrijven en een aanlegplaats voor schepen. Deze 'stad' lag buiten de stadsmuren van het Domplein en was dus ook erg vatbaar voor aanvallen van buitenaf, zoals van de Noormannen. Als handelsplaats trok het kooplieden uit geheel West-Europa aan. Fransen, Duitsers, Engelsen en natuurlijk de Nederlanders zelf. Ook de Noormannen behoorden nu tot de vaste bezoekers. Door een krachtig nieuw gezag in eigen landstreken, werd hun het zeeroven en plunderen onmogelijk gemaakt. Daarom zochten en vonden deze bekwame zeevaarders rustiger bronnen van inkomsten.Denen, Noren en Zweden, waren op een enkele uitzondering na, welkome gasten.Al deze handelaren en kooplieden ontmoetten op de vele markten de inwoners van Utrecht. Andersom zwermden de Utrechtse kooplieden uit naar alle windstreken om hun waren aan de man te brengen of om juist goederen in te kopen voor latere verhandeling. |
Rechts: Reconstructie van het keizerlijk paleis dat de Duitse keizer in 1040 in Utrecht: Het paleis Lofen lag aan de Vismarkt. De naam Lofen is waarschijnlijk afkomstig van een soort balkon (loggia, Laube) dat het paleis ooit gesierd moet hebben. Door stadsbranden in 1131 en 1253 werd dit paleis verwoest. | ![]() |
De Utrechtse kooplieden woonden dicht bij de aanlegplaatsen van de schepen, die langs de Rijn vaarden.Dat was kort bij de zogenaamde "stathe" oftewel kade, die ongeveer op de plaats van de huidige Steenweg was gelegen. Het water zelf was niet van dijken voorzien. De houten huizen lagen dan ook niet langs het water, maar ertegenover op hooggelegen zandruggen, die door de rivier in vele eeuwen waren gevormd. Bij deze stathe werd rond 925 de Buurkerk gebouwd. Aan de Steenweg en de Zadelstraat werden later weer op hooggelegen zandruggen, woningen gebouwd. Op die plaatsen werden ook de Jacobikerk, de Nicolaaskerk en de Geertekerk gebouwd als middelpunt van groepjes huizen. | ![]() |
![]() |
Samen met het oudere deel rond de Buurkerk, vormden zij een samenhangend geheel.(de foto's van de Buurkerk en Geertekerk zijn slechts symbolisch, ze geven een moderne versie van beide kerken weer.) In deze nederzetting leefden kooplieden en ambachtsluiden, maar ook adelen en boeren.Al die mensen vormden samen een stedelijk gemeenschap, die vanaf het ontstaan van rond 900 streefde naar een eigen vorm en dan los van de oudste kern van de nederzetting namelijk de bisschopsburcht. Die innige wens ging in de 12e eeuw in vervulling. In een kleine 200 jaar van 925 tot 1122, vergroeide Utrecht tot de grootste stad van de Noordelijke Nederlanden. Dat zou het tot rond 1500 blijven. |
Utrecht kon zich in die tijd vrijwel geheel bedruipen; er was geen of weinig aanvoer van producten van buiten de stad. Nadat bisschop Balderik de stadsmuur weer verstevigd had, bloeide de handel enorm op, vooral omdat de handelaren en ambachtslieden in geval van nood konden uitwijken naar de bisschoppelijke burcht achter de muren. In 1017 brandde de Maartenskerk (de Dom) totaal uit. Zes jaar later was de kathedraal weer in alle glorie hersteld.Met grote feesten werd het gebouw door bisschop Onder bisschop |
![]() |
![]() |
In de St. Pieters kerk in aan de oostkant liet de bisschop zich na zijn dood begraven in plaats van in de Dom, de gebruikelijke laatste rustplaats van de bisschoppen. Aan de Noordkant van het kruis kwam de St. Janskerk te liggen, naar architectuur een tweelingzuster van de Pieterskerk maar toch met een geheel eigen karakter. Beide gebouwen bestaan nog grotendeels. Van de iets jongere Paulusabdij in de zuidelijke arm van het kruis is alleen nog een stukje van de gevel over. Dat fragment bevindt zich in de Hofpoort. Dat is een zijsteeg van de Nieuwegracht, dat uitzicht geeft op het gerechtshof, dat gebouwd is op de plaats waar eens de Paulusabdij stond. |
In 1085 werd het kerkenkruis voltooid met de Mariakerk. Dit gebouw was van werkelijk grootste allure. Helaas is ook die in Italiaanse stijl gebouwde kerk al weer verdwenen op een fragment van de kloostergang na. Dat is te vinden achter het conservatorium aan de Mariaplaats. Er waren of werden nog veel meer kerkelijke gebouwen gebouwd. Vierentwintig grote en kleine kloosters en elf gasthuizen, waarin vreemdelingen onderdak konden verkrijgen. Ze dankten hun ontstaan aan de nabijheid van de bisschop, de vrijgevigheid van de rijke adellijke grondbezitters, de welvarende kooplieden en de offerbereidheid van de hardwerkende ambachtslieden.
Gemaakt: 28-01-04 |
![]() |