2714 Magna Graecia
Een tweede Griekenland werd Zuid-Italië. De Grieken noemden het Magna Graecia ("Groot-Griekenland") in tegenstelling tot het armere moederland met zijn kleine verhoudingen. Deze rijke gebieden werden overdekt met Griekse koloniën. De vruchtbare aarde van Italië en Sicilië diende tot korenschuur voor de Grieken en ook de veeteelt was zeer lonend. Het schijnt dat de Griekse olijf ook naar Italië en Sicilië hebben meegebracht, evenals naar Zuid-Frankrijk.
Magna Graecia

De Grieken vestigden zich altijd dicht bij de kust. In het binnenland handhaafden zich inheemse Italische volkeren. In Sicilië waren die (Siculi, Sicani, Elymi) zo verzwakt dat ze geen ernstige bedreiging meer vormde voor de Griekse koloniën, maar in het zuiden van het Italiaanse schiereiland was dat anders. Hier ontpopten zich vanaf de 5e eeuw v. Chr. vooral de Samnieten als gevaarlijke tegenstanders. Evenmin als de Griekse stadstaten van het moederland hebben die van Groot Griekenland nooit één politieke eenheid gevormd: particularisme en onderlinge rivaliteiten hebben het streven naar politieke integratie steeds tegengewerkt. Wat niet wegneemt dat de invloedrijkste steden ernaar gestreefd hebben hun macht over een zo groot mogelijk territorium uit te breiden. Al is de term "Groot Griekenland" ook van toepassing op de steden in Zuid-Italië, toch was Sicilië vanwege zijn centrale positie in de Middellandse Zee voorbestemd om de belangrijkste rol te spelen in de geschiedenis van de Westelijke Grieken. Magna Graecia - Wikipedia

Op Sicilië moesten de Grieken het bezit van de kuststreken met de Carthagers delen. Zij namen bezit van het westelijke gedeelte en de noordkust van het eiland. Ook hadden de Grieken heel wat gevechten met de inheemse Siculi en hun strijdbare aanvoerders te leveren. 

 

Aan het einde van de 7e eeuw v. Chr. hadden de Griekse landbouwkolonies in het westen zulk een peil van welstand bereikt dat ze zich voortaan op handel konden toeleggen. Landbouwproducten uit Sicilië konden geruild worden voor allerlei waren uit het Griekse moederland, maar ook uit Etrurië en Carthago. De invoering van het muntgeld kwam de bloei van de handel zeer ten goede. Deze heroriëntering van de economie had ook negatieve gevolgen. De oude landadel had afgedaan, toen de handeldrijvende klasse tegen zijn voorbijgestreefde privileges in opstand kwam. In de meeste steden werd de crisis door de heersers opgelost door alle macht naar zich toe te trekken. Op Sicilië ging hun tirannie gepaard met willekeur en wreedheden. Ondanks de onvermijdelijke excessen hebben de tirannen van Groot Griekenland zich toch ook in verschillende opzichten verdienstelijk gemaakt: o.m. door de herverdeling van de gronden, het uitvoeren van allerlei openbare werken en de verfraaiing van de stedelijke gebieden hebben zij de sociale toestanden aanzienlijk verbeterd. Sommigen onder hen hadden ook een bredere visie op de politiek. Zo besefte Falaris van Akragas (ca. 570 - 554 v. Chr.) als eerste dat hij het grondgebied van zijn stad moest uitbreiden om de Carthaagse expansie naar het Oosten een halt toe te roepen. 

In 550 v. Chr. had de Carthaagse generaal Mago na een succesvolle veldtocht tegen de Grieken zijn macht gevestigd gevestigde die 150 jaar zou standhouden (dynastie der Magoniden). Ook hadden de Grieken op Sicilië heel wat strijd te leveren met de inheemse Sicilianen en hun strijdbare aanvoerders.

Zuid-Italië werd geheel gehelleniseerd. Een speciale voorliefde bestond voor de Golf van Napels, die vroeger ook de Phoeniciërs hadden aangelokt door de rijkdom aan purperslakken en aan vis. De schapen die in deze streken graasden, waren bekend om hun mooie wol, een uitstekend soort pottenbakkersleem deed er een bloeiende vazenindustrie ontstaan. Verscheidene Groot-Griekse koloniën werden beroemd om hun rijkdom en weelde., vooral Tarentum, Croton en het weelderige Sybaris, dat in zijn bloeitijd rijker was dan enig andere Helleense stad. Croton en Sybaris werden onverzoenlijke rivalen. Hun rivaliteit leidde zelfs tot een openlijke oorlog. Deze eindigde met de ondergang van Sybaris, omstreeks het jaar 510 v. Chr. De overwinnaars maakten de stad met de grond gelijk en om alle sporen van de gehate concurrent uit te wissen moeten zij zelfs de loop van een rivier over de open plek hebben geleid, waar ens het rijke Sybaris had gelegen. In elk geval is er geen enkel spoor van de vroegere glorie meer overgebleven.

De eerste die met plannen rondliep voor de politieke éénmaking van alle Griekse steden op Sicilië - en daadwerkelijk ook het oosten van het eiland grotendeels in zijn macht had - was Hippocrates van Gela. Zijn opvolger Gelo slaagde erin Syracuse in te nemen (485 v. Chr.) en met Theron van Akragas een bondgenootschap te sluiten. Toen Selinus en Himera echter een verdrag sloten met aartsvijand Carthago werd een botsing tussen de twee grootmachten op Sicilië onvermijdelijk: de overwinning van Theron op de Carthagers in Himera (480 v. Chr.) beveiligde de Siciliaanse Grieken bijna een eeuw lang tegen het Carthaagse gevaar. Toen Hiëro I van Syracuse er ook in slaagde bij Kyme de Etrusken te verslaan (476 v. Chr.) was ook het gevaar dat Groot Griekenland vanuit het noorden had kunnen bedreigen voorgoed afgewend. De relatieve vrede en de economische welvaart die hieruit voortvloeiden ondermijnden echter het regime van de tirannen. In de eerste helft van de 5e eeuw v. Chr. werd de tirannie vrij algemeen vervangen door een democratie waarin de handeldrijvende burgerij de invloedrijkste lobby vormde. Van de moeilijkheden die zich de volgende jaren aandienden, wist Syracuse handig gebruik te maken om zijn hegemonie te verstevigen, zodat het omstreeks 440 v. Chr. de facto over ¼ van het eiland regeerde. Andere steden die zich benadeeld voelden probeerden zich te groeperen onder de leiding van Athene, hetgeen leidde tot het grote fiasco van Alcibiades in 413 v. Chr. Het groeiende imperialisme van Selinus en Akragas lokte anderzijds een Carthaagse interventie uit (409 – 405 v. Chr.): Carthago verwoestte Selinus, Himera en Akragas en namen Gela in. Van deze noodtoestand maakte Dionysius de Oude gebruik om de tirannie in Syracuse opnieuw in te stellen.
De geschiedenis van de Griekse steden op het Italiaanse vasteland in de 5e eeuw was niet minder bewogen. Locri was een bondgenoot van Syracuse tégen Rhegium, dat van zijn kant vriendschapsbetrekkingen onderhield met Tarentum, dat zijn positie geleidelijk aan had weten te verstevigen. In Croton, dat aanvankelijk onder invloed van de Pythagoreeërs stond, braken heftige rellen uit toen de aanhangers van deze sekte uit de stad werden verdreven. Enkel tijdens de Atheense expeditie tegen Sicilië (414 v. Chr.) slaagden de steden er enigszins in front te vormen. Naast hun onderlinge twisten hadden zij bovendien nog af te rekenen met de vijandigheid van de inheemse Italische bevolking, een probleem dat in Sicilië veel minder acuut was geweest.

In het westen volgden de Grieken het spoor van hun rivalen, de Phoeniciërs, tot aan de mond van de Guadalquivir voorbij de Zuilen van Hercules. Vandaar brachten zij het hoog gewaardeerde koper mee naar het vaderland.

Van Spanje tot de Krim strekte zich de tweede Griekse kolonisatie uit. Bij nagenoeg alle havens ontstonden nu handelssteden en overal sprak men Grieks. Ook met Egypte werd regelmatig handel gedreven en de Milesiërs stichtten aan een van de Nijlarmen de plaats Naucratis, die tot aan de stichting van Alexandrië (331 v. Chr.) de grootste handelsstad bleef van het land. 

Gemaakt: 18-03-03

colofon