3838

Perzische rijk - Darius (514 v. Chr.)

Perzische rijk - Darius (521-514); z. ook: Grieken (600-500)

Tussen 514 - 494 v. Chr. ondernam Darius een aantal veldtochten in de zuidelijke Balkan. Zijn campagne berustte op economische aspiraties op lange termijn: de ondermijning van het vasteland van Griekenland als handelsrivaal in het Middellandse Zeegebied. 

Geheel naar zijn stijl ging hij op kolossale schaal te werk. Hij riep honderden technici, scheepsbouwers en een enorm leger te hulp. Herodotus schatte het op een verbazingwekkende totaal van 700.000 man landtroepen, hoewel de moderne historici ertoe neigen dat getal naast zich neer te leggen en deze schatting dichter bij de 70.000 man te plaatsen. 

In 514 v. Chr. was men klaar met het werk aan een drijvende brug die de kusten van de Bosporus in de buurt van het moderne Istanbul met elkaar verbonden. Darius gaf het bevel op te rukken en de eerste georganiseerde invasie van Europa door Aziaten kwam op gang. Het onmiddellijke doel van de massale expeditie waar buiten de infanterie en de bereden soldaten 300 tot 600 schepen aan te pas kwamen, was de onderwerping van de oorlogszuchtige Getai (Geten) van Thracië en de Scythen, die tussen de Donau en de Don woonden om deze volkeren ervan te weerhouden hem in het noorden aan te vallen.

Tegelijkertijd hoopte Darius daardoor ook de aanvoer af te snijden van voorraden graan en hout voor de scheepsbouw, die van het grootste belang waren voor de welvaart van het Europese Griekenland en uit het achterland van de Balkan kwamen. 

Met zijn leger trok Darius in de zuidelijke Balkan verder op naar de rivier de Strouma, stak deze rivier over. Nadat zij de Thraciërs in dat gebied had verslagen, vielen de Perzen via het zuiden van Macedonië binnen. 

 

Op zijn tocht door Thracië dwars door de Griekse wereld ontmoette Darius weinig weerstand. De meeste stadstaten van Griekenland onderwierpen zich rustig aan de invasie, hoewel Athene en Eritrea hun tijd afwachtten. Om de Scythen in de rug aan te kunnen vallen trok het keizerlijke leger daarna door oostelijk Thracië en slaagde erin op een geschikte plaats weer met een brug van boten de rivier de Donau over te steken. Darius berichtte de commandant van deze brug over de Donau dat hij de Scythen binnen 60 dagen dacht te onderwerpen. De Scythen hadden daar echter andere gedachten over. Zij zagen snel in dat zij alleen geen kans zouden hebben in een directe confrontatie met een invasiemacht van 700.000 man. Zij zonden gezanten uit om de hulp in te roepen van alle naburige volken - (Tauri, Agathyrsi, Neuri of Neuriërs, Budini en Geloni) en ook een verzoek om versterkingen aan de Sarmatische nomaden ten oosten van de Don. Toen slechts de Sarmaten, de Geloni en Budini hulp toezegden, besloten de Scythen elke geregelde slag te vermijden. Zij besloten tot een ontwijkende strategie en verdeelden hun soldaten in twee divisies: een elitecorps van Scythen onder aanvoering van een stamhoofd dat Idanthyrsus heette, waarbij zich de Geloni en de Budini zouden voegen en een tweede die zou worden samengesteld uit de Sarmaten en de rest van de Scythen. Scythische gezinnen, op hun wagens geladen, trokken naar het noorden met de opdracht om te blijven trekken. Terwijl de divisies zich verspreidden, werden Scythische ruiters uitgezonden om contact met de Perzen te zoeken. 

Toen Darius de Scythische patrouille in het oog kreeg, was hij drie dagmarsen van de Donau verwijderd. Hij zette onmiddellijk de achtervolging in en zo begon één van de langste en meest nutteloze achtervolgingen uit de militaire annalen. De snelle patrouille verleidde Darius tot de achtervolging van de Scythische elitemacht onder Idanthyrsus en zo speelden de ruige ruiters van de steppe met het Perzische leger. Darius viel uit en de Scythen verdwenen als een luchtspiegeling, waarbij zij verbrandde weidegrond en vernielde bronnen achterlieten. De Perzen trokken maar verder - enorme colonnes, gehinderd door infanterie, strijdwagens en de lijfgoederen van een hoog georganiseerd conventioneel strijdapparaat. Idanthyrsus zorgde ervoor dat hij net een dagmars voor bleef. Hij viel aan in de Perzische flanken, bracht achterblijvers om en joeg Darius op met plotselinge, razendsnelle nachtelijke aanvallen. Dag na dag, week na week leidde Idanthyrsus Darius over grasvlakten en door rivieren, bossen in en bossen uit. Boosaardig leidde hij hen in de gebieden van de volkeren die geweigerd hadden deel te nemen aan het Scythische verbond: de Androphagi, die bekend stonden als kannibalen en de Neuriërs, die - zo bezwoeren hun buren - eenmaal per jaar veranderden in weerwolven. 

Het leger van Darius zigzagde twee maanden lang doelloos over de steppen, zonder ooit in staat te zijn de Scythen tot een beslissende slag te brengen. Zij waren evenmin in staat om voedsel te vinden. De Scythen verbrandden hun eigen akkers en voorraadschuren als zij zich terugtrokken. Het was voor Darius een hele vreemde oorlog. Er was niets dat kon worden veroverd of verdedigd - geen steden, geen gebouwen, niets te plunderen, niets dan de eindeloze steppe. De Perzen raakten vermoeid en werden geplaagd door ziekten. Volgens Herodes werden zij wanhopig en lieten zij zieken en gewonden in de steek toen zij zich terugtrokken naar de brug over de Donau. Nog maar net op tijd: hun Ionische bondgenoten, die de hoop voor de expeditie opgegeven hadden, stonden juist op het punt al hun schepen terug te trekken. Darius keerde terug naar Azië om zich voor te bereiden op zijn oorlog met Griekenland. De Scythen bleven de overhand behouden op de Zuidrussische steppe. 

Darius liet een leger achter dat de verovering van Thracië en Macedonië voltooide. 

Meden en Perzen (514-  494)

laatst bijgewerkt: 21-03-07

colofon