3938

Zuidelijke en Noordelijke dynastieën (386 - 589)

Jin-dynastie (265 v. Chr. - 420 n. Chr.)
Noordelijke dynastieën: het integratieproces tussen barbaarse en Chinese stammen was een feit. De Tuoba (een volk van Xianbei-origine) vestigden zich in het noorden en stichtten de Noordelijke Wei-dynastie (365 - 553). In 439 werd het gebied rond Dunhuang door de legers van deze dynastie veroverd en werden 30.000 inwoners gedeporteerd naar Pingcheng (thans: Datong) de hoofdstad van de Noordelijke Wei in de provincie Shanxi (1.500 km naar het oosten). Het land werd herverdeeld onder de boeren en het centrale bestuur werd versterkt. Er werden pogingen gedaan om de Tuoba de Chinese gebruiken over te laten nemen.

Noordelijke-Wei-dynastie (385 - 557)

De Noordelijke-Wei-dynastie was één van de meer stabiele noordelijke dynastieën tijdens de periode van China's verdeeldheid tussen de noordelijke en zuidelijke dynastieën, tussen de ondergang van de Han (220) en het herstel van de eenheid door de Sui-dynastie (581). De hoofdsteden van de Noorderlijke-Wei waren Datong (prov. Shanxi) van de 5e tot de 6e eeuw en vanaf 494 Luoyang (prov. Henan).

Kaartje van China rond het jaar 500. In het noorden bereikte de Noordelijke-Wei-dynastie haar grootste territorium. In het zuiden heerste destijds kortstondig (479-505) de Zuidelijke Qi-dynastie. De zwarte (on)onderbroken lijnen komen overeen met China's huidige staats- en provinciegrenzen.
Rechts: Datong. de hoofdstad van de Noordelijke Wei-dynastie van de 5e tot de 6e eeuw.
De Noordelijke Wei dynastie is vooral bekend geworden om de bevordering van het Boeddhisme door de Toba heersers. De Toba was een Turkse nomadenstam uit de steppen ten noorden van het leefgebied van de Chinezen en één van de steppevolkeren, die de macht in Noord-China na de Han-dynastie in handen gekregen hadden. Het Chinese cultuurgebied bevond zich destijds nog vrijwel geheel in het noorden. He zuiden had een soort koloniale status, met een voornamelijk autochtone niet-Chinese cultuur.

Boven: Het "Hangende klooster" aan de voet van de berg Hengshan (65 km van Datong), werd gebouwd in 491
De Toba-heersers namen tijdens de eerste 100 jaar van hun bewind de Chinese cultuur geheel over, een van de vele voorbeelden in de Chinese geschiedenis van culturele assimilatie. Dit leidde er o.a. toe, dat zij in 494 hun hoofdstad naar Luoyang verplaatsten. De dynastie herintroduceerde het systeem van gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle leden van een dorpsgemeenschap; een effectief middel om de bevolking in het gareel te houden en voor rust en orde te zorgen. Ook stichtte zij zelfvoorzienende militaire kolonies aan haar noordgrens, om het gebied te beschermen.
Interne spanningen tussen de Toba-elite die in de Chinese cultuur waren opgegaan en hun stamgenoten, die hun oude gewoonten trouw gebleven waren (vooral militairen), leidden uiteindelijk tot de ondergang van de dynastie.
Blijvende getuigenissen van de culturele bloei van het Boeddhisme tijdens de Noordelijke-Wei zijn de beelden en schilderingen in een aantal in bergwanden uitgehouwen nissen en grotten, soms zeer uitgebreide complexen, waarvan de bouw tijdens de deze dynastie begonnen zijn. Bekende voorbeelden zijn de grotten bij Dunhuang in de provincie Gansu, bij Datong in de provincie Shanxi (Yungang-grotten bij Datong) en bij Luoyang in de provincie Henan (Longmen-grotten).  
Pagodes kunnen beschouwd worden als de meest kenmerkende bouwwerken van de Boeddhistische architectuur in China (en Japan). Ze zijn ontwikkeld uit de Indiase stoepa. Een stoepa diende als bewaarplaats van relieken en vervulde een symbolische functie. De Chinese pagodes hebben geheel eigen vormen aangenomen en zijn in talloze varianten over geheel China verspreid. De pagode staat vrij van andere gebouwen, zodat de gelovige boeddhist er, als een ritueel, omheen kan lopen om de relieken binnen te eren. Meestal is de pagode toegankelijk, in tegenstelling tot de Indiase stoepa.
De vroegste pagodes in China moeten reeds eerder dan de zesde eeuw na Chr. in China gebouwd zijn. Ze waren waarschijnlijk van hout. Afbeeldingen van de vroegst bekende pagodes zijn te vinden in de wandschilderingen van de holentempels van Dunhuang in de provincie Gansu, die dateren uit (ongeveer) de zesde eeuw na Chr.

De oudste nog bestaande pagode in China is gebouwd in 523 tijdens de Noordelijke-Wei-
dynastie bij het Songyuesi-
klooster
. Dit klooster ligt in de Songshan-heuvels nabij het beroemde Shaolin-klooster (prov. Henan).

Het noorden viel uiteen in de Oostelijke (534-549) en Westelijke Wei-dynastie (535-557). Deze laatste werd opgevolgd door de Noordelijke Zhou-dynastie (557-588), welke werd omvergeworpen door Yang Jian, een lid van een machtige familie uit het noorden. Hij veroverde de zuidelijke provincies tijdens een succesvolle militaire campagne.

Boven: Fresco schildering, 535-557 uit de Mogao grotten (grotten van Dunhuang), detail uit een legende

Sui-dynastie (581 - 618)

Laatst bijgewerkt: 02-01-03

colofon