95 |
Eem warmtetijd (Eemien) (128.000 - 116.000 jaar geleden) |
![]() |
Na het Saale-Glaciaal werd het geleidelijk weer warmer in onze streken. Tijdens de nu volgende Eem-warmtetijd, die ca. 12.000 jaar duurde, verdween langzaam het landijs en bleef er een kaal en troosteloos landschap achter. Tussen de door het landijs achtergelaten stuwwallen door voerden woeste rivieren het smeltwater af. De Eem-Warmtetijd is het eerste tijdvak van het Boven-Pleistoceen. Het tijdvak is genoemd naar de rivier de Eem, omdat de zeespiegel tot aan dit riviertje steeg. Zo zijn alle ijstijden (glacialen) en interglacialen genoemd naar riviertjes in Noord-West Europa.
Het klimaat werd mild en zacht. Het moet in die tijd warmer zijn geweest dan nu. In het zuiden van Europa, rond de Middellandse Zee, werd het klimaat subtropisch. Daar kwamen regenwouden voor waar apen in de bomen kwetteren en bosolifanten en nijlpaarden voorkwamen. Het overgrote deel van Azië was minder herbergzaam en de mensen vermeden het centrale deel van dit continent om de strenge winters en de droge, verschroeiend hete zomers, maar langs de gehele zuidelijke zoom van Azië, van het Midden-Oosten naar Java en in noordelijke richting naar China, werden wel door mensen bewoond. Afrika was waarschijnlijk het dichtstbevolkte continent en herbergde meer mensen dan de rest van de wereld bij elkaar. Via duizenden stroompjes stroomde het smeltwater weg naar zee. |
De zeespiegel rees door de enorme massa water die was vrijgekomen van het smeltende ijs. De in het Saale Glaciaal droge vlakte van het tegenwoordige Noordzeebekken (z. Saalien) liep vol en de zee drong de door het landijs verbrede en verdiepte oerdalen van Maas, Rijn en vecht binnen.
Op een aantal plaatsen ontstonden grote waterplassen die steeds groter werden en uiteindelijk enorme gebieden onder water zetten. Daaruit zou later de Noordzee ontstaan, die tussen de zandgronden in het zuiden en de keileemgronden in het noorden een grote baai vormde, die echter door de aanvoer van slib en gruis door de rivieren en door afzettingen van zeeklei over een perioden van vele duizenden langzaam weer veranderde in land en zich op den duur uitstrekte uit tot aan de Atlantische Oceaan, waarin de Rijn uitstroomde ter hoogte van de Doggersbank. |
![]() |
Wind en de vogels voerden zaden aan van planten, waardoor er langs de oevers van de duizenden meren en plassen begroeid raakten en veranderden in één groot moerasgebied. Bovenop de planten die waren afgestorven groeiden weer nieuwe planten. Daardoor werd de bodem na verloop van duizenden jaren steeds hoger en vaster en droogden de plassen langzaam maar zeker op. Deze droge stukken land raakten begroeid met struiken en bomen en ook de dieren kwamen weer terug: eerst de torren en de kevers, daarna de muizen en andere kleine zoogdieren. Deze lokten weer roofvogels aan. Eerst waren het alleen berken en dennen die hier groeiden, later groeiden hier ook eiken. |
![]() |
Het edelhert kwam terug, de mammoet vertoonde zich weer, evenals de wolharige neushoorn. Ook de beer en de wolf kozen hier opnieuw hun jachtterrein. Elanden graasden langs de jonge bossen. | ![]() |
![]() |
![]() |
Op grote stukken groeiden ten slotte dichte loofbossen. Dit landschap strekte zich uit over een enorm gebied dat reikt tot aan de Atlantische Oceaan in het westen en de Doggersbank in het noorden. De zon flonkert in het meer, het water ligt rimpelloos. Een happende vissenbek breekt even de spiegel. Hoog in de lucht schreeuwt een vogel. De warme avondwind ritselt door de struiken en bomen. De zon daalt naar de horizon. De wolkjes worden rose en rood, met violette strepen. Een laatste rossig licht kleurt de grote open vlakte, die voor een deel bedekt is met zware naald- en loofbossen. Langs de brede rivier die langzaam door het vlakke landschap stroomt, snuffelen olifanten en neushoorns rond, en in het water droomt een nijlpaard. Een vogel zoekt met trage slagen van zijn vleugels zijn nest op. Dit is het landschap van de lage landen zo'n 1250.000 geleden. |
![]() |
Vanaf ± 130.000 jaar geleden verspreidden Neanderthalers, die zich uit de Vroege Neanderthalers hadden ontwikkeld, zich vanuit Midden-Azië over het Midden-Oosten, Zuidoost Azië en Europa. Door de stijging van de zeespiegel raakten groepen op Java geïsoleerd en konden zij zonder grote natuurlijke vijanden, in min of meer paradijselijke omstandigheden een tijd lang doorevolueren.
Vanaf ± 120.000 jaar geleden verspreidde de Moderne Mens, die zich in Oost-Afrika tussen 200 - 130.000 jaar geleden uit de Homo Antecessor ontwikkeld had, via het Midden-Oosten over het Europese en Aziatische continent. Het betrof hier vroege exemplaren van de Homo Sapiens Sapiens, ook wel proto-Cro-Magnons genoemd. De Ngandong-mens wordt door sommige geleerden gezien als een overgangsvorm tussen Homo Erectus en Homo Sapiens. Andere zien hem echter een late Homo Erectus. In de archeologie wordt de periode waarin de Moderne Mens verschijnt het Laat-Paleolithicum genoemd. Met deze naam wordt aangegeven dat de evolutie tot een modern uitziend geraamte gepaard ging met sociale ontwikkeling en verbetering van het maken van werktuigen.
laatst bijgewerkt: 24-09-02 |