113 Korstmossen

Groenwieren Schimmels
Hoewel korstmossen op het eerste gezicht plantachtige organismen lijken, zijn ze in werkelijkheid de innige symbiose (te weten: mutualisme) van twee verschillende typen organismen: een schimmel en een groenwier of een blauwalg (Cyanobacteria). Soms zijn deze zo sterk met elkaar verbonden dat ze buiten het samenwerkingsverband geen overlevingsmogelijkheid bezitten.

Aan de buitenkant zit de schimmel, die dus ook de grove vorm van het korstmos bepaalt. De algen verzorgen de fotosynthese, en produceren daarbij in plaats van de suiker die normaal gesproken wordt geproduceerd, speciale suikeralcoholen die door de schimmel kunnen worden gebruikt.

Veel korstmossen groeien zeer traag (soms niet meer dan 0,1 mm per jaar).. Men vindt ze bijvoorbeeld vaak op kale rotsen waar ze op kunnen leven en soms zelfs in door kunnen dringen. Ze vragen niet veel voedingsstoffen en kunnen die vaak halen uit het stof in de lucht. Ook kunnen ze in geval van uitdroging lange tijd, vaak jarenlang, in een rustfase blijven en na toevoeging van water weer tot leven komen. 

Over de voortplanting van korstmossen is niet veel bekend. Vermeerdering vindt plaats door sporen, die over grote afstanden door de lucht verspreid worden, en dan, als op de landingsplaats een geschikte alg wordt gevonden, een nieuwe plant vormen. Veel korstmossen hebben ook een asexuele wijze van verspreiding, waarbij de schimmel en de algen samen blijven, zogenaamde sorediën (poeder) of isidiën (staafjes) en grotere fragmenten. (Korstmos - Wikipedia)

Rechtsboven: Cladonia floerkeana (Fr.) Flörke (Rode heidelucifer). Vrij algemeen in heiden stuifzanden en duinen. Thallus staafvormig ruw, grijsgroen, altijd met rode apothecia of pycniden. Rechtsonder: Candelariella reflexa (Nyl.) Lettau. (Poedergeelkorst). Vrij algemeen op boomschors, op plaatsen waar eutrofiëring plaatsvindt. Thallus korstvormig, stoffig tot wattig, geel. 

Bron: Foto's van Nederlandse korstmossen (Dutch lichens)

Gemaakt: 18-11-06

colofon