1322 |
Ubaid- (Obeid) cultuur (ca. 5000 - ca. 3750 v. Chr.) |
![]() |
|
Vermoedelijk ruimde kort na 5000 v. Chr. (andere bronnen geven aan 4700 v. Chr.) de Halaf-cultuur in Noord-Syrië het veld voor de Obeid of Ubaid-cultuur.
De Obeid of Ubaid-cultuur heeft ongeveer 1500 jaar bestaan, tot omstreeks het midden van het 4e mill. v. Chr. Op sommige plaatsen, zoals in Arpatsjiyah en Tepe Gawra, zijn er bewijzen gevonden dat Halaf-nederzettingen door de Obeid-volkeren onder de voet zijn gelopen. |
De Obeid-cultuur dankt haar naam aan een heuvel in Zuid-Irak, ca. 6 km. ten westen van Ur en strekte zich naar het westen uit tot aan de Middellandse Zee. Er lagen ook nederzettingen langs de Eufraat, stroomopwaarts tot in Turkije. De bewoners in deze nederzettingen waren waarschijnlijk op zoek naar koper. Hier voltrok zich waarschijnlijk voor het eerst de overgang van een agrarische dorpsgemeenschap naar een meer georganiseerde samenleving, het begin van een stedelijke cultuur met grote bouwwerken en religieuze instellingen. In deze periode ging men ook vierkante en ronde zegelstempels maken, die als hangers werden gedragen. Men versierde ze vaak met schitterend uitgebeelde steenbokken, herten of gazellen van speksteen, lazuursteen of andere halfedelstenen. Zodra de tempel verscheen, zowel te Eridu als te Tepe Gawra, kwamen er steeds meer zegels. Mogelijk werden deze zegels dus gebruikt om de tempelbezittingen te merken. |
|
|
De maatschappelijke verschillen werden groter, wat te zien is aan de grootte van de huizen en de grafgiften die aan de doden werden meegegeven. Obeid bloeide met zo'n vijftien nederzettingen in de de Balikh-vallei. De tell (heuvel) van Obeid dicht bij Ur in het zuiden van Irak heeft zijn naam gegeven aan de prehistorische chalcolithische cultuur, die de eerste nederzettingen op de alluviale vlakte van zuidelijk Mesopotamië heeft voortgebracht. De Obeidcultuur duurde van ca. 5300 v. Chr. tot het begin van de Urukperiode, ca. 3750 v. Chr. (Sommige bronnen geven 3500 v. Chr. als einde aan.) De Obeidperiode wordt in drie hoofdfasen onderverdeeld: |
![]() |
Het Vroeg-Obeid – soms Eridu genoemd naar de belangrijkste plaats uit die tijd, (5300 - 4700 v. Chr.), alleen aangetroffen in het uiterste zuiden van Irak, aan wat toen de kust van de Perzische Golf was. De zeespiegel stond toen lager dan nu, zodat een flink deel van het gebied van deze periode onder water en onder door de Tigris en Eufraat afgezet slib ligt. Deze fase vertoont een duidelijk verband met de noordelijker gelegen Samarracultuur en zag de vestiging van de eerste permanente nederzetting ten zuiden van de 12,5cm-isohyeet (lijn op de kaart die punten met dezelfde neerslag verbindt). Deze mensen pionierden met de teelt van granen in extreem droge omstandigheden, wat mogelijk werd gemaakt door de hoge grondwaterstand in het zuiden van Irak. Rechts: de opgraving van Eridu |
![]() |
Midden-Obeid – Obeid I, soms Hadji Muhammad genoemd, (4800 v. Chr. – 4500 v. Chr.), genoemd naar de typesite met die naam. Er werd vanuit de grotere nederzettingen een grootschalig netwerk van kanalen aangelegd. Geïrrigeerde landbouw, die waarschijnlijk eerst ontwikkeld is bij Choga Mami (4700 - 4600 v. Chr.) en zich toen snel verbreidde, is het eerste noodzakelijke samenwerkingsproject en het eerste voorbeeld van gecentraliseerde coördinatie van arbeid. Deze periode wordt gekenmerkt door eigen specifiek aardewerk, waarschijnlijk uit de Uruk-regio)
Laat- of "klassiek" Obeid, Obeid II, III en IV – Tijdens deze periode trad er een sterke en snelle verstedelijking op en verbreidde de Obeidcultuur zich naar het noorden van Mesopotamië waar hij (na een hiaat) de Halafcultuur verving. Door de Obeidcultuur gemaakte artefacten zijn langs de hele kust van Arabië gevonden, waaruit de groei van een hadelssysteem blijkt dat zich uitstrekte vanaf de Middellandse Zee tot Oman. Obeid - Wikipedia Omstreeks 3500 voor Chr. werd de Obeid-cultuur afgelost door de Uruk-cultuur. |
laatst bijgewerkt 11-01-07 |